Start
Omhoog
Private uitbesteding
Openbare Armenzorg
Gehandicaptenzorg
Gezinsverpleging


Ontwikkelingen in de pleegzorg

Vroegmoderne Tijd

Uitbesteding door ouders en voogden

 
 

Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 
 


Weeskinderen vormden de grootste groep van de bestedelingen om wie familie en vrienden zich moesten bekommeren. Ze werden bij voorkeur uitbesteed bij naaste familieleden, maar dat was natuurlijk niet altijd mogelijk. De overlevende ouder of de voogden sloten een mondelinge of schriftelijke overeenkomst af met de pleegouders, ook ‘houdenisse’ genoemd. Daarin ging men al dan niet uitgebreid in op de wederzijdse engagementen. Voor de ‘houder’ of ‘houderigge’ kwam het erop neer dat hij of zij de wees moest opvoeden als een eigen kind, naar school of in de leer zou sturen en de nodige materiële en medische zorgen aan de wees zou besteden. Ook over de onderhoudsprijs werd onderhandeld. Naast de overlevende ouder, de familie of ‘vrienden en magen’, hielden ook de voogden een toezicht op de plaatsing en tenslotte ook de oppervoogden. Dat waren de leden van het dorps- of stadsbestuur. In de steden delegeerden de oppervoogden hun toezicht aan de weesmeesters, zetelend in de weeskamer. Deze kamers werden opgericht in de grotere steden van de Nederlanden om de belangen van de wezen te beschermen. Daarbij moesten de meesters niet enkel waken over de persoon van de wezen, maar in alle geval ook over het beheer van hun eventueel geërfde bezittingen. De weeskamers werden na de inlijving van België door Frankrijk afgeschaft.

 
 

 

De opvang van zuigelingen bij voedsters of minnen werd dikwijls noodzakelijk na het overlijden van de moeder in het kraambed. Ook voor jonge moeders die opnieuw aan het werk moesten of onvoldoende melk hadden om de kinderen zelf te voeden. De uitbesteding was een kostelijke zaak en hield risico’s in voor het kind, dus trachtten zorgzame ouders of voogden naar best vermogen enig toezicht te organiseren. Er waren verschillende boekjes ter beschikking die uitlegden aan welke voorwaarden een goede voedster moest voldoen. Ze moest gezond zijn natuurlijk, eerlijk, voorbeeldig leven en voldoende opvoedkundige kwaliteiten bezitten. Aan pleidooien voor het zelf zogen als dat kon was er ook geen gebrek. De vele waarschuwingen over de ellende die het uitbestede kind zou treffen en de verdorvenheid van de voedsters waren vooral bedoeld voor ouders die hun zuigelingen uitbesteedden zonder dat er een gegronde reden voor was. Er is veel sprake van dergelijke uitbestedingen, niet enkel door aristocratische families, maar ook door andere moeders, maar of dit fenomeen zo’n vaart heeft genomen in de Zuidelijke Nederlanden zoals in Frankrijk, is niet erg waarschijnlijk. De ‘industrie des nourrices’ van de achttiende eeuw is vooral een Frans fenomeen.

 

 
 


Veel kinderen in de vroegmoderne tijd werden van jongs af aan thuis aan het werk gezet of uitbesteed als knecht of meid in gastgezinnen. Maar uitbesteding was ook een systeem dat ouders en voogden gebruikten om hun kinderen een opleiding te bezorgen. In deze periode nam het belang van de handel en de nijverheid hand over hand toe en dus ook de noodzaak om de kinderen op hun toekomst voor te bereiden. Aangewezen ‘pleegouders’ waren dan wel in de eerste plaats schoolmeester of vakman, maar tegelijk ook opvoeder van de uitbestede kinderen. Schoolgaande kinderen werden niet alleen geplaatst bij een schoolmeester zelf die thuis school hield, maar ook bij gezinnen die in de buurt woonden van de school. Bekend zijn ook de duizenden kinderen, vooral jongens, die uitbesteed werden bij een vakman om daar voor een of meerdere jaren in de leer te gaan. Ook hier werden de wederzijdse verplichtingen van de meester en de leerling mondeling of schriftelijk overeengekomen. De ouders of voogden en ook de ambachtsgilde zelf hielden toezicht op de correcte uitvoering van de overeenkomst.


 
 


Voor veel noodgevallen was het uitbesteden van de opvang en het onderhoud aan een verder familielid of aan een derde een gebruikelijke oplossing. Buren en familieleden vingen kinderen op die slachtoffer waren van huiselijk geweld of kinderen van ongehuwde jonge moeders die noodgedwongen naar de stad trokken voor werk of gewoon, om tijdelijk uit het zicht te verdwijnen. Kinderen vonden gelukkig ook onderdak bij geloofsgenoten of andere meelevende gezinnen wanneer hun ouders werden vervolgd of vermoord vanwege een ‘verkeerd’ geloof. Pleegzorg komt dus ook voor om andere mensen tijdelijk te depanneren, om hen te helpen overleven of zich te verschuilen in noodsituaties.


 
 


We weten niet hoeveel kinderen, ouden van dagen en gehandicapten er in de vroegmoderne tijd werden uitbesteed door hun ouders of voogden. Alleszins waren het er ‘veel’ en tijdgenoten zullen niet vreemd hebben opgekeken als ze vernamen dat de kinderen van de buren geplaatst waren bij een voedster, bij hun voogd, bij een vriend of een ander familielid, bij de koster-schoolmeester, bij een landbouwer of een ambachtsman.


 
 

© Erik Zwysen, 30 juni 2016
laatste aanpassing 08 januari 2017