Start
Omhoog
Pleegzorg in de Vroegmoderne Tijd
Pleegzorg in de 19e eeuw
Pleegzorg in de 20e eeuw


Pleegzorg

in de vroegmoderne tijd

 
 


• Omhoog • Private uitbesteding • Openbare Armenzorg • Gehandicaptenzorg • Gezinsverpleging •

 

 
 


Pleegzorg tijdens het ancien régime staat vooral bekend als ‘uitbesteding’ van de zorg, de opvoeding en de verantwoordelijkheid voor hulpbehoevenden aan anderen dan de daarvoor voorbestemde zorgdragers. Dat gebeurde door familie, ouders en voogden en, wanneer die zelf niet in de opvang en het onderhoud konden voorzien, door de georganiseerde armenzorg. Daarbij ontfermden pleegouders zich over bejaarden, personen met een fysische of mentale handicap, pasgeboren kinderen, vondelingen en verlaten kinderen, krankzinnigen, jongeren en wezen. Pleegzorg in deze periode lag volledig in het verlengde van de uitbestedingen zoals die ook al plaats vonden in de middeleeuwen, maar enkele accenten werden wel verlegd. Ondanks de uitbouw van vele instellingen en de aanhoudende kritiek op de pleegzorg, bleef uitbesteding veruit het meest voorkomende systeem om aan de behoefte aan opvang, onderhoud, opvoeding en opleiding tegemoet te komen.

 

 
 


Tijdens het ancien régime stond het gezinsleven voortdurend onder druk door overlijdens van kinderen en ouders als gevolg van slechte voeding of hygiëne, hongersnoden, ziektes, epidemieën en oorlogsgeweld. De meeste kinderen kenden niet het genoegen om langdurig op te groeien in ongebroken gezinnen. Ze werden van jongsaf aan of voor een groot gedeelte van hun jeugd opgevoed door andere mensen dan hun eigen ouders, door familieleden, stiefouders, of uitbesteed bij vreemden. Nauwelijks een generatie kon opgroeien zonder de voortdurende confrontatie met ziekte, lijden en dood. Dat is de essentiële bestaansonzekerheid voor ouders en kinderen die deze periode kenmerkt en hun leven ingrijpend tekende.

 
 

 

De inspanningen om het gezinsleven te continueren werden vaak nog bezwaard door ingrepen van politieke, economische en religieuze ‘machten en krachten’ die hen trachtten te bestelen, te onteigenen en hen hinderden in hun zelfbeschikking. Niettemin, naarmate vorsten, kapitalisten, burgerlijke overheden en kerkelijke gezagsinstanties meer grip kregen op de ontwikkelingen van het dagelijkse leven, zadelden ze zichzelf ook op met meer verantwoordelijkheden. Waar mensen zich vroeger maar moesten schikken in ‘het lot’ of naar ‘de wil van God’, kleefde op de aangerichte schade nu en dan ook een gezicht, een persoon, een instantie of een structuur die men ter verantwoordeling kon roepen. Dezelfde bovennatuurlijke orde waarop gezagsdragers zich beriepen om posities en ingrepen te rechtvaardigen, legde hen ook de plicht op om voor de armen te zorgen en op het verzuimen van die plicht konden ze worden aangesproken.

 

 
 


Natuurlijk speelden ook de gewone menselijke onmacht, de onverschilligheid, de zelfzucht en boosaardigheid een grote rol bij het beschadigen, verwaarlozen en veronachtzamen van de bestaans- en levenskansen van kinderen, ouderen of gebrekkigen en van wat ze wel voelen en denken. Maar in praktisch alle omstandigheden ontpopten zich ook de invloed en de welwillendheid van empathische mensen die verbindingen maken, bruggen bouwen, en dat ook georganiseerd krijgen. De economische ontwikkelingen, de burgerlijke organisatie, de filantropie en de religieuze inspiratie zorgden niet enkel voor moeilijkheden, maar vormden eveneens de bedding waarin de ellende kon opgevangen worden.


 
 

© Erik Zwysen, 25 juli 2016
laatste aanpassing 28 juli 2016