Start
Omhoog
Private uitbesteding
Openbare Armenzorg
Gehandicaptenzorg
Gezinsverpleging


Ontwikkelingen in de pleegzorg

Vroegmoderne Tijd

Uitbesteding door de Openbare Armenzorg


 
 

Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 
 


Als de armen opvang nodig hadden konden ze soms terecht in de godshuizen, voor zover die er waren of plaatsen beschikbaar hadden. Meestal werd gekozen voor een uitbesteding in gezinnen. In Vlaanderen werd in de loop van de achttiende eeuw jaarlijks bij benadering gemiddeld 0,5 % van de plattelandsbevolking uitbesteed. Dit betekent dat elk jaar enkele duizenden armen en kinderen van het platteland door de armendissen waren uitbesteed aan dorpsgenoten of inwoners van naburige dorpen. Op het platteland zelf werd dit, zeker in de zeventiende en achttiende eeuw, dikwijls gedaan per openbare aanbesteding, zodat het armbestuur de kosten van de uitbesteding kon drukken door kandidaat-pleegouders tegen elkaar te laten afbieden. De verplichtingen van de ‘aannemer’-pleegouder werden vastgelegd in een contract. Daarin werd vooral de nadruk gelegd op het ‘behoorlijk en wel’ voeden en onderhouden van de bestedeling. Kinderen moesten ook onderwezen worden in de catechismus. Een grote kost was de kleding en die verdiende bijzondere zorg. De armmeesters konden de kinderen weghalen wanneer ze niet behoorlijk behandeld werden. De vergoedingen die de pleeggezinnen vroegen waren afhankelijk van de zorg die men dacht te moeten investeren, van de arbeid die de bestedeling eventueel kon verrichten, van de affectiviteit of verwantschap of verplichtingen die men ten aanzien van de geplaatste had.

 
 

 

In de steden ging men al eerder over tot het uitbesteden aan vaste barema’s. Daarbij verminderde de onderhoudsprijs voor kinderen bij het klimmen van de leeftijd. Voor kinderen met een beperking en voor ouderlingen werden hogere bedragen uitbetaald. De steden vooral werden geconfronteerd met het probleem van het toenemend aantal vondelingen in de achttiende eeuw. In 1785 telde Brussel al meer dan 2500 vondelingen en verlaten kinderen onder zijn toezicht. Daar kwamen in het volgende decennium jaarlijks nog 500 à 700 kinderen bij.

Ook in andere steden nam het aantal vondelingen rond 1780 spectaculair toe. Zij werden zoveel mogelijk bij pleeggezinnen geplaatst. De enkele vondelingenhuizen die hier in de Zuidelijke Nederlanden bestonden namen de kinderen in principe slechts op in afwachting van hun uitbesteding. In principe was het te vondeling leggen van kinderen verboden en wie daaraan schuldig was werd soms zwaar bestraft. Maar om kindermoord te voorkomen werd men soepeler. De groeiende aandacht van de centrale overheid voor het in leven houden van ‘haar’ kinderen, heeft ongetwijfeld te maken met de opkomst van de grotere gecentraliseerde staten. Zo kwamen de verschillende graafschappen en hertogdommen, de ‘provincies’, in de Nederlanden in de vijftiende eeuw ook onder een centraal gezag. De economische en militaire macht van de staat was het best gediend met veel volk, werk- en voetvolk. Kindermoord en pogingen tot zwangerschapsonderbrekingen werden in deze ‘Nieuwe Tijd’ dan ook strenger aangepakt dan tevoren. Wellicht dwongen de precaire levensomstandigheden veel ouders tot draconische maatregelen om de groei van hun gezin onder controle te houden. Maar nu konden de rijkere steden zich meer en meer die zorg voor die pasgeboren (overtallige) kinderen permitteren en zo werd het zorgen voor armere kinderen ook meer en meer hun morele plicht.

 

 
 


Hoe kwam men aan pleeggezinnen ? De meeste besturen hielden wel lijsten bij van betrouwbare personen aan wie men iemand kon uitbesteden. We vermoeden dat een aantal kandidaat-pleeggezinnen zichzelf zullen aangeboden hebben. Het zal in elk dorp snel geweten zijn dat bij een dorpsgenoot een stadskind was geplaatst. De knapen, voerders of andere personen die de kinderen kwamen brengen of halen speelden daarin wellicht een rol. De contactpersonen die Antwerpen inschakelde om de kinderen in de dorpen te plaatsen hadden ook de opdracht om uit te kijken naar nieuwe kandidaten. De inspectiediensten lieten ook niet na de dorpspastoor te ondervragen over de opvang. Vaak werden de pastoors betrokken om een soort moreel verslag op te maken van de kandidaten en van de opvang. Als er nood was aan een pleeggezin kon de stad de pastoor of het dorpsbestuur daarvan op de hoogte brengen. Wie kandidaat was zal dus snel de weg gevonden hebben naar de pastoor of zelfs naar de verantwoordelijken van een of ander wees- of vondelingenhuis in de stad. De kerk was bovendien een plek waar men regelmatig praktisch de hele bevolking kon aantreffen, dus een oproep om een verlaten kind op te vangen kon ook via de preekstoel gelanceerd worden. De dorpen zelf gebruikten ook de kerk om de nood aan een opvanggezin bekend te maken en om de kinderen, bejaarden en andere behoeftigen die ten hunnen laste waren desnoods mits openbare afprijzing uit te besteden.


 
 


De controle op de plaatsingen kon onmogelijk erg intensief zijn. Daarvoor ontbraken de middelen in deze tak van de armenzorg die op zich al een grote hap nam uit het budget van de besturen. Maar afwezig was ze ook niet. Behalve de betaalde beambten die toezicht hielden en de pleeggezinnen tijdens dagenlange reizen gingen bezoeken, was er nog de sociale controle op de pleeggezinnen in hun actieve parochie- en dorpsgemeenschap. Steden deden ook een beroep op de burgerlijke en kerkelijke autoriteiten van het dorp waar hun pupil geplaatst was om controle uit te oefenen en trachtten hun plaatsingen te concentreren in bepaalde dorpen. In de steden zelf waren de pleeggezinnen natuurlijk makkelijker bereikbaar. Sommige steden verplichtten de pleeggezinnen om met hun pleegkind enkele keren per jaar naar de zetel van het armbestuur te komen voor het incasseren van het onderhoudsgeld. Op die manier oefenden ze ook enig toezicht uit op de plaatsing. De Brugse vondelingenmeester betaalde hen zelfs om de veertien dagen uit zodat daar een actievere controle kon uitgeoefend worden.


 
 

© Erik Zwysen, 27 juli 2016
laatste aanpassing 08 januari 2017