Ontwikkelingen in de pleegzorg

20e eeuw

Moeder- en Kinderzorg

 

Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 

 

Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn

Pleidooien voor het oprichten van plaatsingcentra

Boerenhulp aan stadskinderen

Eerste diensten voor pleegzorg

Kind en Gezin

► Ga naar Kinderwelzijn voor de meer algemene ontwikkelingen van de kinder- en jeugdzorg
 

 

Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn

 

 

1919

 

De bemoeienis van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (N.W.K.) met gezinsplaatsing, komt dus voort uit deze schrijnende toestanden van de 19e eeuw. Met de wet van 5 september 1919 wordt het toezicht op tegen vergoeding uitbestede kinderen beneden de zeven jaar uiteindelijk toevertrouwd aan het N.W.K.. Pleegouders dienden een vergunning te hebben en zich te onderwerpen aan dit toezicht. Het kwam er voor het N.W.K. nu vooral op aan die pleegouders op het spoor te komen. Pas later zullen kandidaat-pleegouders zich ook spontaan gaan melden bij het N.W.K.. En pas in 1935 werden sankties afdwingbaar voor wie zich niet aan de voorwaarden hield. Met dit toezicht hoopte men de "moeders te helpen die uitzien naar een uitbestedingsoord, dat alle waarborgen biedt.

Het betrof jaarlijks enkele duizenden uithuisgeplaatste kinderen. Aanvankelijk ging het meestal om kinderen die vlak na de geboorte worden geplaatst, "vrucht eener onwettelijke liefde".  Sommige moeders zullen alle hinderpalen te boven komen om hun kindje later zelf op te voeden, maar vele andere kinderen zullen van hun moeder gescheiden blijven "omdat deze hare fout moet verbergen of omdat het voor haar eene belemmering uitmaakt in hare vrijheid van handelen."  Daarnaast zijn er de kinderen van een moeder "die zich slechts met spijt van haar wichtje afscheidt met het eenige doel te werken om in zijn onderhoud te voorzien". Dergelijke uitbestedingen werden als een van de grootste oorzaken aanzien van de hoge kindersterfte.  De keuze ging immers vooral "naar de minst eischende bewaaksters, welke ook de meest onwetenden zijn". De pleegouders zullen voortaan echter eerst een toestemming moeten aanvragen en zich dan verder schikken naar de raadgevingen van de dokter of medische assistente van de Raadpleging. 

De opdracht van het N.W.K. was feitelijk beperkt en loste niet alle problemen van de private gezinsplaatsing op.  Ze hadden op den duur natuurlijk een lijst ter beschikking van betrouwbare pleegouders.  Maar uiteindelijk koos de moeder haar pleeggezin en besliste het aangenomen pleeggezin over de opname.  Het N.W.K. kon ook niet de duur van de uitbesteding regelen. Ouders of pleegouders die op haar een beroep deden kon ze wel helpen en raadgeven.  In andere gevallen kwamen ze wel eens over als boeman. Zo bemiddelde het N.W.K. bijvoorbeeld bij de Commissies voor Openbare Onderstand voor menswaardige inkomsten ; hield ze in het oog dat de afstand met het pleeggezin niet te groot was ; spande ze zich in om de oorzaken van de scheiding tussen het kind en zijn gezinsleden te verhelpen ; enz.. Toch stelde men ook op het N.W.K. vast dat de medische assistenten of de dokters niet altijd voldoende kennis hadden van andere dan hygiënische en medische factoren.  Hun opleiding was niet erg aangepast aan dit toch wel  "bij uitstek maatschappelijke werk", dat dikwijls toch "sociale gevallen" betreft. In ieder geval werd in de jaren zestig " het belangstellingscentrum van het onderzoek in de milieus die van plan zijn een kind op te nemen, verlegd van het beperkte gezondheidsterrein naar een veel uitgebreider educatief terrein." Eén van de meest geciteerde taken betreft het bemiddelen bij conflicten tussen pleegouders en ouders. Zo is men het er tot in de jaren zestig over eens dat de pleegplaatsing een formule is die het gezinsleven op uitstekende wijze kan vervangen, op voorwaarde althans dat het kind, het pleeggezin en het oorspronkelijk gezin in goede verstandhouding leven. " Het tot stand brengen van deze gunstige betrekkingen is de bizonderste taak van onze dienst voor toezicht".

 

Aantal uitbestede kinderen onder toezicht van het N.W.K. (tellingen beginnen pas vanaf 1933)
1933 3.014 1942 1.333
1934 3.120 1943 1.652
1935 2.875 1944 1.289
1936 3.098 1945  
1937 2.995 1946  
1938 3.422 1947 1.982
1939 3.191 1948 2.355
1940 3.014 1949 2.685
1941 2.208 1950 2.922

 

 
 

Pleidooien voor het oprichten van plaatsingcentra

 

 

1920

 

De nood bleef dus voelbaar om de uitbestedingen te laten begeleiden door gespecialiseerde diensten. Op het 2e Internationaal Congres voor de Kinderbescherming in 1921 in Brussel pleit men voor een betere organisatie van het toezicht op kleine kinderen die buitenshuis werden geplaatst. Hiertoe zou men centra voor plaatsing van kleine kinderen moeten oprichten en verspreiden rond de grote steden in gezonde gemeenten en onder administratief en wetenschappelijk toezicht geplaatst. Ook op het Congres van het N.W.K. in 1929 hoopt men dat er "plaatsing-centra" zouden worden ingericht. Men dacht hier aan het voorbeeld van het "Oeuvre des Mères et Tout-Petits". Dit was al in 1914 opgericht door Dr. Lamalle en besteedde kleine kinderen uit in Luikse gezinnen. Het genoemde Congres hield het evenwel bij een "aanbeveling", en kon hieromtrent geen beslissing van het N.W.K. uitlokken. Bedoeling van het N.W.K. was in ieder geval de moeders te helpen "tot het bekomen van een gepaste uitbesteding". Een gelijkaardig pleidooi werd nog gehouden in 1959 ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van het N.W.K., waarbij men het  toezicht ook wou uitbreiden tot kinderen tot 18 jaar.

In haar verslag van 1938 over de gezinsplaatsing pleit ook de Volkerenbond ervoor om gezinsplaatsingen te laten uitvoeren door een plaatsingsdienst. De Volkerenbond constateert dat de slechtste gezinsplaatsingen die plaatsingen zijn die door de ouders zelf worden uitgevoerd. Daarom zouden ze beter uitgevoerd worden door een plaatsingsdienst. De staat moet daarbij een aantal voorschriften voorzien en een toezicht op hen uitoefenen om voldoende garanties te kunnen bieden. Het systeem waarbij de pleegouders een officiële machtiging moeten hebben om kinderen te mogen opvangen, is een grote vooruitgang maar volstaat niet. Een plaatsingsdienst zou de pleegouders hulp moeten bieden om het probleem dat de opvang van een kind meebrengt te helpen oplossen alsook de financiële verantwoordelijkheden die die opvang meebrengt, onder andere het innen van de ouderbijdragen.

 

 
 

Boerenhulp aan stadskinderen

 

 

1940

 

Daarnaast werd het N.W.K. bij besluit van de sekretarissen-generaal van 7 juni 1941 ook aangeduid om toezicht uit te oefenen op de plaatsingen van Boerenhulp aan stadskinderen. Deze organisatie kreeg het monopolie om zwakke kinderen en kinderen uit nijverheidsstreken naar gezinnen op het platteland te sturen.

 

 
 

Nieuwe evoluties

en

de eerste diensten voor pleegzorg

 

 

1960

 

Met betrekking tot gezinsplaatsing verandert de houding van het N.W.K. vanaf de jaren zestig. In de loop van de jaren vijftig begon het aantal uitbestedingen te stijgen.  Meer en meer kregen we nu ook te maken met kinderen van werkende moeders, die niet zozeer om sociale noodsituaties moeten geplaatst worden.  Het N.W.K., dat van bij haar ontstaan al gewezen had op de gevaren van de scheiding tussen moeders en kinderen, zal nu gaan pleiten voor meer kribben, zodat de kinderen slechts overdag moeten uitbesteed worden. Mede door de opgang van de medische wetenschap zijn de kribben niet langer te mijden 'broeinesten' voor allerlei ziekten. Integendeel, meer dan vroeger zijn ze nu een volwaardig alternatief. Deze opvangvoorzieningen zijn door de grotere mobiliteit nu ook bereikbaarder geworden, zodat langerdurende scheiding van moeder en kind door plaatsing in een pleeggezin vermeden kan worden. Waar plaatsing in een gezin nog wel gebruikelijk is, evolueert deze vorm van opvang meer en meer naar dagopvang bij onthaalmoeders. Door deze verschoven aandacht binnen het N.W.K. bleven de gezinnen in probleemsituaties meer en meer in de kou staan.

We verzwegen tot hier toe in feite nog een vierde traditie in de kinderzorg, die van het algemene welzijnswerk. Reeds lang bemiddelden allerlei private diensten bij het onderbrengen van kinderen bij pleegouders.  Maar in de late jaren vijftig, begin jaren zestig ontwikkelen de sociale centra zich op meer professionele manier.  Vanuit de confrontatie met allerlei gezinsproblemen, ook van sociale aard, groeiden dan ook de vragen naar hulp bij de opvang van kinderen voor kortere, maar soms ook voor langerdurende periodes. Uit de terminologie die deze diensten voor private gezinsplaatsing gebruikten komt hun mentaliteit naar voren. Zo spreekt men van kinderen uit noodlijdende gezinnen, of uit "gezinnen in nood".  "Veel gezinnen in de stad zijn immers dikwijls echt 'alleenstaand' geworden ", zegt men bij de oprichting van de dienst voor private gezinsplaatsing in Antwerpen.  Men wil hen dan ook helpen bij het oplossen van hun gezinsproblemen die te maken hebben met een tekort aan sociale steun of voorzieningen.  Daarbij organiseert men de tijdelijke opvang van de kinderen als één van de hulpmiddelen.  De diensten kunnen meer taken opnemen dan het N.W.K..  In feite nemen ze alle opdrachten op die gezinsplaatsingsdiensten ook vandaag nog uitvoeren. In 1962 ontstaan zo in Brussel en Antwerpen, waar men de nood het scherpst aanvoelt, diensten voor private gezinsplaatsing vanuit centra voor maatschappelijk werk.

 

 

 

Kind en Gezin

 

 

1980

In hun zoektocht naar werkingsmiddelen troffen de genoemde diensten in 1985 uiteindelijk het N.W.K..  Daar was men wel druk in de weer met de op handen zijnde splitsing tussen een Vlaams en een Waals N.W.K..  Maar het N.W.K. had zojuist een hervorming doorgevoerd in de bekende "kolonies". In diezelfde lijn zoals boven geschetst was het N.W.K. al lange tijd bekend om zijn kolonies voor zwakke kinderen.  Zwakke kinderen konden tijdelijk naar deze instellingen, oorspronkelijk om "bijgevoed" te worden.  De omstandigheden in de decennia na de oorlog waren echter gewijzigd.  Meer en meer werden kinderen uit sociaal zwakkere milieus opgenomen : de kolonies werden in 1979 dan ook volwaardige kinderopvangcentra voor kinderen in probleem- en crisisituaties voor wie een dag- en nachtopvang is aangewezen.

Op deze evolutie pikten in 1985 de diensten voor private gezinsplaatsing in.  De Vlaamse vleugel van het N.W.K. nam de draad met de pleegzorg weer op en keurde onder impuls van de reeds twintig jaar functionerende diensten voor private gezinsplaatsing in 1985 een reglement goed dat de opvanggezinnen voor het eerst een dagvergoeding garandeert. Het decreet van 29 mei 1984 waarmee Kind en Gezin werd opgericht, bepaalt trouwens dat deze Vlaamse vervanger van het N.W.K. bijzonder actief moet zijn ten aanzien van "... kinderen die buiten het gezin worden opgevoed". Bovendien omvat haar taak eveneens "de opvang van het jonge kind". Het reeds genoemde verplichte toezicht wordt in Vlaanderen, anders dan in Wallonië, vervangen door een "meldingsplicht".

Sindsdien werden jaarlijks een 200-tal kinderen van minder dan 12 jaar geplaatst onder het toezicht van een van de vier daartoe door Kind en Gezin erkende diensten. Sinds de jaren 90 ontvangen ook de diensten een forfaitair bedrag voor hun werkingskosten.

 

 

 

 

 


© Erik Zwysen,
1 september 1994
laatste aanpassing 08 januari 2017