Ontwikkelingen in de pleegzorg

20e eeuw

Bijzondere Jeugdbijstand

 

 
 

► Ga naar Kinderbescherming voor de meer algemene ontwikkelingen van de kinder- en jeugdzorg

 


 


Gezinsplaatsing is best gekend, georganiseerd en ook het meest verspreid in het kader van de bijzondere jeugdbijstand. De wet van 27 november 1891 liet toe dat jongeren die aan de Rijksweldadigheidschool (RWS) waren toevertrouwd, van daaruit in de leer konden geplaatst worden. Vanaf 1888 werden patronagecomités opgericht, die uiteindelijk in elk arrondissement min of meer bedrijvig werden. Zij werkten met vrijwilligers die de pleeggezinnen selekteerden en ook toezicht hielden op de gezinsplaatsingen. Zij ontfermden zich niet enkel over kinderen uit de RWS, maar plaatsten daarnaast ook moreel verwaarloosde kinderen in pleeggezinnen.

 
 

De kinderbescherming

 

 

1912

 

Met de wet van 15 mei 1912 wordt de zorg voor delinkwente en 'pre-delinkwente' kinderen toevertrouwd aan de kinderrechters. De Koninklijke Beschermingscommissie raadde hen aan veel zorg te besteden aan de selektie en het toezicht op de pleeggezinnen. Ze konden met goed gevolg een beroep blijven doen op de patronagecomités, gezien de niet geringe ervaring die deze daarmee reeds hadden opgedaan. Die kon ook benut worden voor de gezinsplaatsing van kinderen wier ouders uit de ouderlijke macht waren ontzet.

Toch zal deze praktijk in de twintigste eeuw aanvankelijk achteruit boeren. De kinderrechtbanken en de patronagecomités, moesten het vooral rooien met vrijwilligers. Die waren steeds moeilijker te rekruteren en overigens ook belast met andere taken dan gezinsplaatsing of kinderbescherming. De voorbereiding en het toezicht bleven in het algemeen dus aan de povere kant, en men werd dan ook regelmatig gekonfronteerd met mislukkingen. Pleegzorg werd dan wel theoretisch als een mooi principe gehuldigd, maar in de praktijk moeilijk te verwezenlijken. De religieuze orden bloeiden, samen met de talrijke kindertehuizen, die meer gemak van plaatsing en toezicht boden.

Traditioneel waren gezinsplaatsingen ook meer ingesteld op uitbesteding in de landbouw en het ambacht. Deze sectoren boetten ekonomisch aan belang in, wat de plaatsingsmogelijkheden verminderde. Bovendien werd steeds meer nadruk gelegd op het belang van de totale opvoeding i.p.v. op de loutere beroepsopleiding. Ook dit betekende een bijkomend aandachtspunt voor de selektie.

Een andere moeilijkheid betrof o.i. de paradoksale situatie waarin de pleegzorg na de tweede wereldoorlog terecht kwam. Gezinsplaatsing werd niet enkel door de wet, maar ook bij het publiek en de magistraten gezien als een bijna-adoptie. Tegelijkertijd echter ontwikkelde men meer aandacht voor de band van het kind met zijn oorspronkelijke milieu. In het begin van de jaren vijftig waren in Vlaanderen dan ook niet meer dan 250 kinderen in pleeggezinnen en nauwelijks meer dan 400 in de leer geplaatst  (op basis van Hoofdstuk II van de wet van 1912, dus door de kinderrechtbank).

 

 
 

Eerste diensten voor pleegzorg

 

 

1953

 

Vanaf de jaren vijftig werden aan de pleegzorg nationaal en internationaal nieuwe impulsen gegeven. In 1953 werd in Brussel Accueil Familial - Open Haard opgericht, de eerste dienst die zich specifiek op de gezinsplaatsing toelegde. In de jaren zestig en zeventig, en zelfs in de jaren tachtig ontstonden nog verschillende andere diensten. De nieuwe wet op de jeugdbescherming van 8 april 1965 repte er echter niet over. Het duurde dan ook nog ruim acht jaar tot de overheid in 1973 een beperkte regeling trof voor hun subsidiëring. Sommige leden van de Nationale Raad voor de Jeugdbescherming zagen gezinsplaatsing immers als een taak voor de sociale diensten van de jeugdrechtbanken en de pas opgerichte jeugdbeschermingscomités.

 

 
 

De Bijzondere Jeugdbijstand

 

 

1985

 

Met het dekreet van 27 juni 1985 op de bijzondere Jeugdbijstand (BJB) en de daaraan gekoppelde uitvoeringsbesluiten, wordt de gezinsplaatsing zoals de andere vormen van hulpverlening in dit kader, uitvoeriger geregeld. Uitdrukkelijk wordt nu verwezen naar het belang om ook in de pleegzorg aandacht te blijven schenken aan de band van het kind met zijn oorspronkelijk milieu. Ook korterdurende plaatsingen zouden mogelijk moeten worden, al wordt dit door de subsidiëringsmechanismen niet aangemoedigd. De opdrachten van de plaatsingsdiensten werden vervolledigd en behelzen niet enkel meer de selektie en het toezicht, maar ook de voorbereiding, begeleiding, vorming, matching en nazorg.

 

 
 

Ondertussen is bij de verwijzende instanties ook een meer pleegzorg-vriendelijk klimaat ontstaan. In juli 1993 waren in Vlaanderen in dit kader dan ook al 2241 kinderen in pleeggezinnen geplaatst, tegenover 2893 in residentiële en 1104 in alternatieve voorzieningen. Zestien diensten voor gezinsplaatsing zijn ondertussen door de BJB erkend.()

 

 

© Erik Zwysen, maart 1994
laatste aanpassing 08 januari 2017

terug