Ontwikkelingen in de pleegzorg

20e eeuw

Pleegzorg voor personen met een handicap

 
Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 

Een kolonie voor kinderen in Geel

 

top

 

Ondanks tegenstand heeft het koloniemodel voor psychiatrische patiŽnten en mentaal gehandicapte kinderen wind in de zeilen. In 1884 wordt ook in het Waalse Lierneux een familiale kolonie opgericht. Ook in Frankrijk wordt het voorbeeld nagevolgd. Het Internationaal Congres van 1902 te Antwerpen, gewijd aan de gezinsverpleging voor krankzinnigen, is van oordeel dat die in alle vormen en op de meest uitgebreide wijze overal behoort te worden in praktijk gebracht.

Het isolement op de buiten houdt de zieke ver van plaatsen en activiteiten die hem zouden opwinden; de plaatselijke bevolking heeft er ook belang en economisch voordeel bij. Tenslotte is er de lyrisch bezongen deugdzaamheid van het platteland : het leven, de lach, de netheid, gezondheid, stilte, rust, pracht en speelsheid. De stad daarentegen stond voor ziekte, logheid, gevaar, getier, koortsachtigheid, bezoedeling en ondermijning.

In die sfeer rijpt al vroeg de idee van een schoolhoeve voor "abnormale" kinderen. Tothiertoe moesten ze de vernederende procedure van een collocatie wegens krankzinnigheid ondergaan, om in aanmerking te komen voor subsidiŽring. Door de uitbreiding van de voordelen van het Gemeen Fonds in 1920 tot de abnormale kinderen en de gebrekkige verminkten, kan een begin worden gemaakt met de uitbouw van een zorg voor mentaal gehandicapte kinderen buiten de wet van 1850.

Zo kan men in Geel op 1 januari 1922 met de afdeling voor mentaal gehandicapte kinderen starten. Aanvankelijk is de bevolking niet opgezet met de komst van een "stelletje vandalen" in hun gemeente. Maar de traditie haalt het. Men kwam er de gehandicapte tegemoet in zijn behoefte aan liefde, aan bescherming, aan een eigen plek en bestaansrecht (Dr. Sano). Er verbleven jaarlijks gemiddeld zo'n 200 kinderen in pleeggezinnen.

 

 
 

Een kolonie voor kinderen in Mol

 

top

Ook in de kinderbescherming was men op zoek naar opvang voor "abnormale" kinderen. Men trof ze vaak aan in arme gezinnen. Niet alleen was een gehandicapt kind een probleem te meer in reeds door armoede of andere problemen gestresseerde gezinnen. Ook kon hun sociale marginaliteit door verwaarlozing van verzorging leiden tot onomkeerbare handicaps. Er waren in het begin van de eeuw echter weinig geschikte instellingen voor mentaal gehandicapte kinderen.

Het Ministerie van Justitie zocht dus naar een plek om een gezinskolonie op te richten. Geel was niet slecht wegens de traditie bij de bevolking aldaar, maar zou de kinderen misschien te veel het odium van krankzinnigheid opleveren. Mol, ook helemaal "omgeven door dennenbossen", leek wel geschikt. Daar plaatsten verschillende gemeenten, en meer bepaald Antwerpen, al lange tijd hun zwakke en rachitische kinderen in pleeggezinnen.

Met een omzendbrief in 1914 stelde de Minister aan de kinderrechters voor om op die gezinnen een beroep te doen indien men geen plaats vond in een instelling. Dit in afwachting van de oprichting van een speciale kolonie voor abnormale kinderen. Die wordt in 1920 opgericht en officieel aangehecht aan het centraal observatiegesticht in Mol. Tussen de oorlogen verbleven er jaarlijks een dertig- ŗ veertigtal mentaal gehandicapte kinderen in pleeggezinnen.

Halverwege de zestiger jaren strandden beide Kempische kolonies. Het instellingswezen heeft een grote uitbreiding genomen en kreeg steeds meer mogelijkheden tot uitbouw. De afdeling in Geel werd opgeslorpt door de ganse kolonie, in principe toegespitst op psychiatrische gezinsverpleging. In Mol werd het bovendien steeds moeilijker om gezinnen te vinden. Stilaan komen ook de gezinsplaatsingsdiensten op in Brussel en WalloniŽ, later ook in Vlaanderen. De schoolhoeve van Mol wordt tenslotte definitief afgebroken.

 

 

 

De situatie van de gezinsplaatsing in de 20e eeuw

 

top

In de eerste helft van de 20e eeuw blijft de belangstelling voor de behandeling van de kinderen hoog. Ze worden echter vooral - en niet alleen de gehandicapte kinderen - naar instellingen verwezen. De bloei van de religieuze orden, en de toenemende subsidieerbaarheid dragen daartoe bij. Gezinsplaatsing kreeg vaak de voorkeur in het discours, maar was daarentegen praktisch moeilijker uit te voeren.

Ook in Europa namen niet veel landen hun toevlucht tot gezinsplaatsing voor gehandicapte kinderen. In het algemeen verkozen ze dit voor jonge normale kinderen die niet delinkwent of te moeilijk van karakter waren. Plaatsing in een instelling werd toegepast voor diegenen die om gezondheidsredenen, redenen van intellectuele ontwikkeling, of gedragsmoeilijkheden een speciale behandeling vroegen. In Noord-Amerika daarentegen zouden sommige staten ook voor die laatste categorieŽn het systeem van gezinsplaatsing toepassen.

In Vlaanderen kennen we voor de tweede wereldoorlog geen gezinsplaatsingsdiensten (3). Plaatsingen in pleeggezinnen werden er uitgevoerd door de commissies van Openbare Onderstand, de kinderrechtbank en de procureurs, door de half-officiŽle patronage- of beschermingscomitťs en privaat onder toezicht van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn.

Vanaf de jaren vijftig echter werden aan de pleegzorg nationaal en internationaal nieuwe impulsen gegeven. Dat was ook het geval m.b.t. gezinsplaatsing voor gehandicapten. In 1957 wordt in Frankrijk de gezinsplaatsing voor motorisch, zintuiglijk en mentaal gehandicapten wettelijk geregeld. Er ontstaan daar ook, zoals in de Verenigde Staten, de eerste experimenten van therapeutische gezinsplaatsing.

In eigen land kwam de differentiŽring en professionalisering van de zorg o.m. ter sprake in het kader van een gecoŲrdineerde aanpak voor de "onaangepaste" jeugd, die niet enkel de delinkwente, maar ook de moreel verwaarloosde en gehandicapte kinderen omvatte. Met het oog op de hervorming van de kinderbescherming zien nu ook in Vlaanderen gezinsplaatsingsdiensten het licht.

 

 

 

Naar het begin van een gehandicaptenbeleid

 

top

Vanaf 1949 wordt de financiering van het Gemeen Fonds volledig door de Staat gedragen. De volgende stap was zijn vervanging door het Speciaal Onderstandsfonds (wet van 27 juni 1956). De Staat neemt nu ook het beheer van het Fonds op zich. Nog steeds gaat het hier om een Fonds dat in feite een onderdeel van de Openbare Onderstand regelt (vroegere armenzorg). Ondertussen is op allerlei terreinen een wetgevende beweging op gang die van invloed is op de gehandicaptenzorg : bijv. de subsidiŽring van de medisch-pedagogische instituten (1961), de wet van 1963 op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de wet op de ziekenhuizen (1963).

Gehandicapten worden trouwens zichtbaarder. De evolutie van de geneeskunde laat toe sommige handicaps beter te verhelpen en biedt sommigen grotere overlevingskansen. Naarmate de maatschappij industrialiseert, verstedelijkt en complexer wordt, rijzen er daarnaast meer aanpassingsproblemen voor mensen die in vroegere tijden beter geÔntegreerd waren. Het publiek wordt ook vertrouwd met de problematiek via min of meer controversiŽle acties zoals Boemerang, maar ook via acties van opvoed(st)ers, misbruiken en wantoestanden in instellingen die regelmatig de pers halen.

De kritiek op de instelling, die er altijd al wel was geweest, kreeg na de tweede wereldoorlog ook steun vanuit de wetenschap. Studies toonden de soms desastreuse gevolgen aan. Er komt een beweging op gang om grootschalige instellingen af te bouwen en gehandicapten in kleinere leefgroepen samen te brengen. Binnen de sector zelf wordt ook de medische benadering meer in vraag gesteld en vervangen door een meer (ortho-) pedagogische benadering.

Er ontstaat zo een zoektocht naar een andere structurering van het voorzieningenapparaat, met meer mogelijkheden voor een sociale aanpak. De Verenigde Naties verklaren in 1971 in de Rechten van Verstandelijk Gehandicapte Personen : "mensen met een verstandelijke handicap hebben recht op zo normaal mogelijke levensomstandigheden."

 

 
 

Fonds 81 en de eerste gezinsplaatsingsdiensten

 

top

In dit klimaat legt het Fonds 81 van 10 november 1967 voor het eerst de basis voor een autonoom gehandicaptenbeleid (4). Het vervangt voor een belangrijk deel het Speciaal Onderstandsfonds. Niet langer is de behoeftigheid het criterium voor een tussenkomst, maar de handicap zelf. Verder krijgen nu ook de volwassen gehandicapten de nodige aandacht. De zorg voor mentaal gehandicapten is in principe niet langer een zaak voor de psychiatrie. Men stapt ook af van het primaat van de instelling. Voor het eerst wordt voorzien in de mogelijkheid om gehandicapten in gezinnen te plaatsen via een erkende gespecialiseerde dienst (5).

Er waren echter toen in Vlaanderen geen diensten die zich specifiek op de gezinsplaatsing van gehandicapten toelegden. In 1967 was de enige bestaande gezinsplaatsingsdienst die ook mentaal gehandicapte kinderen plaatste het in 1953 opgerichte Open Haard. Ze plaatsten kinderen in het kader van de jeugdbescherming, onder wie nu en dan ook mentaal gehandicapten. Daarnaast bestonden er ook nog enkele diensten voor private gezinsplaatsing die echter geen gehandicapten plaatsten.

Vanuit een heel andere hoek zal men pas in 1974 de weg vinden naar de erkenning en betoelaging. Het Leuvense Oikonde, zowat de "stamvader" van de diensten voor gehandicaptenzorg, ontstond in 1969 als "een aanbod van alternatieve levenskernen op mensenmaat voor thuislozen, die dreigen te verzeilen binnen grote massa-instellingen waar de kans op en het respekt voor een eigen identiteit en levensperspektief ontbreken."(6) Ze werden als eerste gezinsplaatsingsdienst voor gehandicapten met terugwerkende kracht erkend vanaf 29 november 1972.

 

 

(3)De oudste ons bekende dienst in BelgiŽ is het "Oeuvre des mŤres et tout-petits" uit 1914. Ze traden op in het kader van het kinderwelzijn en zochten op vraag van de ouders geschikte "familieuitbestedingen" in Luik en randgemeenten. (terug naar situatie gezinsplaatsing)

(4)Fonds 81, genoemd naar het Nr. van het Koninklijk Besluit tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten. (terug naar Fonds 81)

(5)In de jeugdbescherming trof de overheid pas in 1973 een regeling voor subsidiŽring van diensten voor gezinsplaatsing. (terug naar Fonds 81)

(6)Oikonde Leuven, 10-jarenverslag, tijdschrift 10e jg, nrs 2-3, september 1981, Heverlee.(terug naar Fonds 81)

 

Het artikel verscheen oorspronkelijk in Onder Dak,
tijdschrift van de federatie pleegzorg in juli 1996.

© Erik Zwysen, 13 maart 2003
laatste aanpassing : 09 mei 2017