Start
Omhoog
Private pleegzorg
Openbare Weldadigheid
Gezinsverpleging


Ontwikkelingen in de pleegzorg
19e eeuw

Uitbesteding door de Openbare Weldadigheid

 
 
Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 
 

Voorkeur
voor
gezinsplaatsing

Na de nederlaag van de Oostenrijkse troepen op 26 juni 1794 bij de slag bij Fleurus in Henegouwen, begon de Franse bezetting van België. De Franse volksvertegenwoordiging stelde er prijs op de Belgische bevolking mee te laten genieten van de regelgeving op de Weldadigheid zoals ze sinds de revolutie was uitgewerkt. Daarin was de voorkeur voor plaatsing van kinderen in pleeggezinnen al uitgedrukt. Het Franse Directoire specificeerde in 1797 dat de verlaten kinderen zo gauw mogelijk door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen moesten geplaatst worden, naargelang hun leeftijd, bij voedsters of in de kost bij particulieren op het platteland. Behalve dan als ze vanwege ziekte of zware ongelukken niet konden vervoerd worden. In afwachting van hun plaatsing moest het bestuur voorzien in al hun behoeften.

Het keizerlijke decreet van 19 januari 1811 – geldig voor de ganse negentiende eeuw - bevestigde deze duidelijke voorkeur voor plaatsing van deze kinderen in pleeggezinnen.

  • Pasgeboren vondelingen zouden van zodra het kon moeten worden uitbesteed bij een min of bij een voedster tot ze zes jaar oud waren.

  • Kinderen tussen zes en twaalf jaar worden in de kost besteed bij een landbouwer of bij een ambachtsman. Als dit niet mogelijk was - men dacht daarbij aan verminkte en ziekelijke kinderen - moet men ze opvoeden in het hospice. Het kostgeld zou elk jaar verminderen tot de leeftijd van twaalf jaar.

  • Dan kwamen de jongens ter beschikking van de marine. Maar als de staat er geen beroep op deed, moesten twaalfjarigen in de leer geplaatst worden, de jongens bij landbouwers of ambachtslui, de meisjes bij huishoudsters, naaisters of andere werkende vrouwen, of in fabrieken of manufacturen.

 

 
 


Toepassing

Na de invoering van het decreet van 1811 werden de meeste vondelingen en verlaten kinderen in pleeggezinnen geplaatst, zoals traditioneel ook tijdens het Ancien Régime het geval was. De weldadigheidsinstellingen moesten zich jaar na jaar ontfermen over duizenden vondelingen en verlaten kinderen :

 

Gemiddeld aantal vondelingen en verlaten kinderen jaarlijks onder toezicht van de Openbare Weldadigheid

Periode voor België voor de Vlaamse provincies en Brabant
1815-1822 8849 5956
1840-1860 7094 5351

Na 1860 zijn de meeste vondelingenschuiven verdwenen, en daalt het aantal vondelingen spectaculair. Tegen het einde van de negentiende eeuw komt het te vondeling leggen nog nauwelijks voor.


Voor wezen zocht men meer en meer naar een residentiële oplossing. De uitbouw van weeshuizen en andere alternatieven voor een gezinsplaatsing kreeg in de negentiende eeuw een geweldige boost. Zo rezen op het platteland de ‘fermes-hospices’ - ook ‘landbouwgestichten’ of ‘weldadigheidshoeves’ genoemd - uit de grond. Kleine weeskinderen werden voor de Eerste Wereldoorlog door de Burelen van Weldadigheid en Burgerlijke Godshuizen in het algemeen wel nog bij een pleeggezin geplaatst. Meestal konden ze pas na de peuter- of kleuterleeftijd naar het weeshuis.

 
 

 

Toezicht

De voorwaarden die gesteld werden aan de pleegouders waren min of meer overal dezelfde. Meestal vroeg men een bewijs van goed gedrag en zeden, afgeleverd door de burgemeester van hun woonplaats. Grotere gemeenten hadden eigen inspecteurs die de uitbestede kinderen gingen bezoeken. Ze hadden ook reglementen opgesteld die de voorwaarden voor de pleeggezinnen en de regels van de inspecties vastlegden. De manier van inspecteren varieerde van de ene gemeente tot de andere. Artikel 14 van het decreet van 1811 verplichtte de Commissies om elk kind minstens twee maal per jaar te laten bezoeken, hetzij door een speciale afgevaardigde, hetzij door een dokter. Vraag is of dit consequent werd uitgevoerd. Veel gemeentes lieten de controle over aan de lokale autoriteiten waar de kinderen geplaatst waren. Al verbeterde het inspectiesysteem begin jaren 1840 in verschillende plaatsen dankzij bijkomende subsidies van de provincies, in het algemeen bleven in de negentiende eeuw maar relatief weinig betaalde inspecteurs ter beschikking voor de controle op de duizenden plaatsingen.

 

 
 

 

Toelage
en scholing


De toelage voor de kinderen die in de kost werden uitbesteed, verminderde geleidelijk aan tot aan de leeftijd van twaalf jaar. Erg bevorderlijk was dat niet voor een goede praktijk van de gezinsplaatsing. De pleegouders moesten erop rekenen dat hun pleegkind naarmate het ouder werd, mee kon helpen werken om de verminderende onderhoudstoelage te compenseren. Dat was al helemaal het geval wanneer het kind twaalf jaar werd, leeftijd waarop men in de meeste gemeenten helemaal niet meer op een toelage kon rekenen. Het was trouwens ook expliciet in de regelgeving voorzien dat de pleegouders konden rekenen op de gratis werkkracht van de ouder wordende kinderen.

Dat bracht de pleeggezinnen wel in moeilijkheden, want van hen werd ook verwacht dat ze de kinderen naar school stuurden. Maar in 1811 stond de uitbouw van de lagere scholen nog op een laag pitje. Soms was er geen school, of was ze zeker in de winter moeilijk bereikbaar; soms hadden de pleeggezinnen de werkkrachten juist nodig in de zomer ; soms weigerden de godshuizen het schoolgeld te betalen, of weigerden de onderwijzers de geplaatste kinderen op te nemen; soms zagen de pleegouders, zoals zoveel andere plattelandsmensen, het nut van leren lezen en schrijven niet in. Hoe dan ook, gaandeweg in de negentiende eeuw kwamen steeds meer scholen ter beschikking en werd de aandrang om de kinderen naar school te sturen steeds groter. Halverwege de negentiende eeuw lag het percentage vondelingen en verlaten kinderen tussen de zeven en veertien jaar dat schoolliep nagenoeg gelijk met het totaal percentage schoolgaande kinderen van die leeftijd.


 
 

 

De verpachting
van de armen


Ondertussen werd het systeem van de openbare verpachting van het onderhoud van de armen aan de minstbiedenden verlaten. Tegen het midden van de eeuw was het praktisch overal verdwenen. Het was een onterend schouwspel dat nog moeilijk te rijmen viel met de zeden van de tijd. Pleitbezorgers voor de afschaffing vergeleken het met een verkoop op een slavenmarkt. Armen, ook als ze goed besteed waren, dreigden elk jaar hun vertrouwde stek te verliezen. Anderen bleken aan zo’n lage prijs te zijn uitbesteed dat de aannemers te veel diensten terugverwachtten of hen aanzetten tot bedelen.


 
 

 

Discussie pleeggezin
of instelling


De discussie gesticht of instelling, al ingezet in de vorige eeuwen, werd door de Franse wetgever in 1811 feitelijk beslist met de verplichting om de kinderen - wezen, vondelingen en verlaten kinderen - onder te brengen in pleeggezinnen. In de negentiende eeuw woekerde de discussie nochtans verwoed verder. In 1810 al besloot het Brusselse armbestuur het jongensweeshuis te sluiten, omdat de luiheid en insubordinatie van de jongens volgens de weesvoogden tot het uiterste was gestegen. In Sint Niklaas werd het weeshuis voor jongens in 1813 gesloten, bijna honderd jaar na zijn oprichting. Meer en meer had men er moeite met het handhaven van de discipline en bovendien liep het weeshuis leeg nadat Napoleon een aantal jongens opeiste en ouders vanwege dit risico ook minder geneigd waren er kinderen aan toe te vertrouwen. De sluiting was slechts tijdelijk, want in 1827 werd het opnieuw geopend. De Koninklijke Commissie ‘pour l’amélioration du sort des classes ouvriéres et indigents du pays’ gaf in 1847 aan de Minister van Justitie het advies dat er geen instellingen moesten worden opgericht omdat er “niets [is] dat zich verzet tegen het gebruik dat al enkele jaren in voege is om verlaten kinderen bij pleeggezinnen op het platteland uit te besteden. Ze worden er in hun nieuwe familie opgevoed als alle andere werkmanskinderen, ze gaan naar de school in hun gemeente, een inspecteur controleert af en toe of ze goed worden opgevangen. Ze doen het in het algemeen ook niet slechter, de parketten moeten niet meer tegen hen optreden dan tegen andere kinderen.” Toen in 1873 het aantal kinderen in het Brusselse meisjesweeshuis was gezakt tot onder de capaciteit werd om financiële redenen beslist om dit aantal terug aan te vullen met meisjes die in gezinnen op het platteland waren geplaatst. In diezelfde jaren werd er actie gevoerd om opnieuw een jongensweeshuis op te richten. Het besluit van de gemeenteraad in 1875 was echter kort en krachtig : “De Raad, overwegende dat het systeem der plaatsing van de weezen in huisgezinnen, voor hunne lichamelijke en zedelijke ontwikkeling het gunstigst is te achten, mits het bezoek der weezen en het toezicht worde uitgebreid en versterkt, gaat over tot de orde van den dag”. Antwerpen daarentegen opende in 1882 en 1883 twee compleet nieuwe weeshuizen omdat de uitbesteding naar de mening van het liberale bestuur van burgemeester Leopold de Wael niet altijd de gewenste resultaten gaf. In 1892 besloot ook het Weldadigheidsbureel van Antwerpen om de kinderen die ze ten laste had, niet langer te plaatsen in pleeggezinnen.

Het is moeilijk om de argumenten los te zien van het doel dat men wilde bereiken, of van de maatschappijvisie die men wilde realiseren. Een waaier van voors en tegens passeerde de revue. Tegenargumenten zijn vaak tegenstrijdig, ze worden selectief gebruikt, soms omgekeerd tot een argument pro, en dezelfde argumenten van uitbuiting en misbruik werden ook in stelling gebracht tegen de gestichtsverpleging. Toch was uitbesteding op het platteland naar het einde van de negentiende eeuw toe niet langer een vanzelfsprekendheid. Er waren nog mensen die beweerden dat er op het platteland werkkrachten te kort waren. Daar stond dan weer tegenover dat de lonen en de verdiensten er zo laag waren, dat steeds meer buitenmensen werk kwamen zoeken in de steden. In die zin werd de uitbesteding van stadskinderen naar de buiten meer en meer een anachronisme. Ook dat was een reden om naar andere oplossingen uit te kijken. ‘Ge maakt er boeren van, in alle betekenissen van het woord’ bekloeg een Brussels gemeenteraadslid er zich over in maart 1893, ‘en dat is niet meer van deze tijd’. Onverbloemd tegenstander van de uitbesteding van wezen bij pleeggezinnen waren de verenigingen van oud-wezen. De ‘Algemeenen Weezenbond’ die in juli 1894 werd opgericht maakte van het afschaffen van ‘het hatelijke stelsel der uitbesteeding’ een van zijn belangrijkste programmapunten.

Desondanks eindigde de strijd onbeslist. De Belgische wetgever zal de plaatselijke weldadigheidsbesturen tenslotte in het begin van de twintigste eeuw vrij laten om te kiezen voor gezins- dan wel gestichtsplaatsing.


 
 

© Erik Zwysen, 26 juli 2016
laatste aanpassing 08 januari 2017