Start
Omhoog
Private pleegzorg
Openbare Weldadigheid
Gezinsverpleging

Ontwikkelingen in de pleegzorg
19e eeuw

Uitbesteding door ouders en voogden

 
 

Vroegmoderne Tijd • 19e eeuw • 20e eeuw

 
 


Ouders plaatsten al lange tijd op eigen initiatief hun kinderen in pleeggezinnen. Moeders zochten noodgedwongen, vaak via advertenties, naar een min. De pleegmoeders doken op, eveneens gedreven door hun armoede, in de hoop een beetje bij te kunnen verdienen. Wanneer de moeder het kostgeld niet langer kon betalen raakten ook de pleegouders in moeilijkheden. Vaak waren de pleegouders ook niet voorbereid op een ziek of zwak kindje, en brachten het na enige tijd terug naar de moeder... die haar zoektocht opnieuw kon beginnen.

Vanaf het einde van de 19e eeuw gaan de wetgever en het sociale middenveld zich met dit probleem bezighouden. Deze vorm van pleegzorg past in de traditie binnen de kinderzorg van bijstand aan kinderen uit gezinnen zonder voldoende maatschappelijke of sociale steun.  Hun ouders hebben het goed met hen voor, en trachten een sociaal aanvaardbaar gezinsleven uit te bouwen. Alleen lukt het hen om diverse redenen van sociale aard niet.  Ze hebben niet de nodige steun van familie, er zijn onvoldoende voorzieningen om hen te helpen bij hun opvoedingstaak, hun arbeid valt niet te combineren met het uitbouwen van een gezinsleven, enz.. Ze kunnen de volledige opvoedingstaak niet helemaal opnemen, omdat ze niet de nodige hulpbronnen kunnen mobiliseren. 

 
 


Eerste wetgeving en pleidooien voor toezicht

Met de wet van 19 mei 1898 probeert de wetgever de betaling van het onderhoudsgeld aan de pleegouders te verzekeren. Vooral in de gemeenten rond de grote agglomeraties werden in de 19e eeuw veel kinderen uitbesteed. Wanneer de moeder later het onderhoudsgeld niet meer wilde betalen, konden de pleeggezinnen geen beroep doen op steun van de Openbare Weldadigheid van hun gemeente, noch van de gemeente van de natuurlijke moeder. Het gebeurde dat men zich dan van die kinderen trachtte te ontdoen. In sommige agglomeraties zouden volgens de indieners van deze wet de helft tot drievierden van die kinderen in die omstandigheden sterven. Deze wet liet de gemeente van het pleeggezin toe om - tenminste voor kinderen die niet erkend waren door hun vader - tussen te komen in de kosten van onderhoud en deze terug te vorderen van de gemeente van de natuurlijke moeder. De niet-betalende ouders werden wat later ook aangepakt. De wet op de kinderbescherming van 15 mei 1912 bepaalde in artikel 60 dat ouders die hun kinderen toevertrouwen aan derden maar weigeren voor het onderhoud te betalen, voortaan gestraft kunnen worden met een gevangenisstraf en/of een boete. De toepassing van deze wetgevingen liep echter niet van een leien dakje, en men bleef dan ook ijveren voor een verplicht toezicht op deze uitbestedingen.

Deze kinderen, die voortdurend slachtoffer dreigden te worden van verwaarlozing en verlating kon men beter beschermen door ze onder toezicht te plaatsen. Zo riep de Bond tot bescherming der jonge kinderen in 1907 op tot de "inrichting van een officieele toezicht op de kinderen beneden de drie jaar, welke, buiten hun oudershuis of dit van hunnen wettigen voogd als zuigelingen of kostkinderen uitbesteed zijn." In het ontwerp voor een Gezondheidswet van 1911 stelt men voor het eerst een wettelijk "stelsel tot bescherming der jonge kinderen" voor. Het toezicht over geplaatste kinderen zou moeten toevertrouwd worden aan het schepencollege van de gemeente. Een geneesheer zou ermee belast worden "zich regelmatig te gaan vergewissen dat deze kinderen al de noodige zorgen ontvangen."  Ook nu wordt de noodzaak tot ingrijpen gemotiveerd door te verwijzen naar de hoge zuigelingsterfte en ziekelijkheid der jonge kinderen, onder meer als gevolg van "het gebrek aan verzorging (en) de misdadige zorgeloosheid van sommige moeders en der personen bij welke de kinderen in de kost zijn geplaatst."

Het 1e Internationaal Congres voor de Kinderbescherming schenkt ook aandacht aan het probleem en drukt in juli 1913 in Brussel de wens uit dat ieder kind dat uitbesteed wordt, onder het toezicht zou geplaatst worden van de overheid. Zo zouden personen die uitbestede kinderen opnemen, zich moeten onderwerpen aan voorwaarden van hygiŽnische aard die door de overheid worden voorgeschreven. Ze zouden van de overheid voorafgaandelijk ook een getuigschrift moeten bekomen van opvoedster of pleegmoeder. De medische controle op de uitbestede kinderen zou moeten toevertrouwd worden aan geneesheren die door de overheid benoemd worden en daartoe een bijzondere bekwaamheid en bevoegdheid hebben. Een aantal van deze bepalingen vinden we terug in de wet die in 1919 het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn opricht.


 
 

© Erik Zwysen, 1 september 1994
laatste aanpassing 08 januari 2017