KINDERZORG IN HET KADER VAN

DE OPENBARE WELDADIGHEID EN OPENBARE ONDERSTAND

IN VLAANDEREN

 

 
 
[Weeshuizen] [Orphelinats]
 



Op deze bladzijde schetsen we de ontwikkelingen in de kinderzorg door de "openbare weldadigheid" in Vlaanderen.

De zorg voor de arme kinderen, de "schamele" wezen, de vondelingen en verlaten kinderen is het oudste spoor in de bijzondere jeugd- en kinderzorg. Deze lijn loopt tot aan de huidige Openbare Centra voor Maatschappelijk Werk (OCMW), die plaatselijk in de gemeenten werkzaam zijn. We zagen dat deze lijn reeds haar wortels vond in de armenzorg vanaf de zestiende eeuw.

De kinderen werden aanvankelijk meestal mits een lichte vergoeding uitbesteed bij pleeggezinnen. Er ontstonden echter in toenemende mate weeshuizen. Kinderen liepen daar school maar werden, als ze ouder waren, vandaaruit uitbesteed om een ambacht te leren.  

 

Met 'Openbare Weldadigheid' verwijzen we op deze bladzijden naar een ruimer veld dan de Openbare Weldadigheid in de strikte zin van het woord. We vatten voor het gemak onder deze term de ontwikkelingen in de armenzorg, later de zorg door de Openbare Weldadigheid (1796) en Openbare Onderstand (1925). Vanaf 1976 worden deze taken opgenomen door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn.

  Inhoud

 

 
 
De Openbare Armenzorg
in de Vroegmoderne Tijd

 
 


De plaatselijke overheid kwam tussen wanneer de familie niet over de nodige middelen beschikte om haar kinderen, ouderlingen, personen met een handicap of geesteszieken te onderhouden. Voor hen richtten de burgers al sinds de Middeleeuwen in de parochies de zogenaamde Tafels van de Heilige Geest op - ook armentafels of armendissen genoemd. Naast de wekelijkse uitdelingen en hulp voor de armen in het algemeen, was aan de Tafels ook de zorg voor de arme weeskinderen toevertrouwd. Bij hun taken hoorden ook de zorg voor de huisvesting en zo nodig de uitbesteding van armen, zieken, bejaarden en kinderen. Onder druk van de toegenomen armoede en bedelarij en het succes van het opkomende protestantisme greep de overheid vanaf de zestiende eeuw meer en meer in in de organisatie van de armenzorg. Bedelen werd verboden en de armenzorg moest efficiënter georganiseerd worden. Enkel wie door leeftijd, gebrekkigheid of tijdelijke calamiteiten zijn brood niet kan verdienen mocht door de publieke liefdadigheid geholpen worden. Dat waren de echte armen en ze konden enkel onderhouden worden in hun geboorteplaats of de plaats waar ze hun onderstandswoonst hadden verworven. Ze kwamen ten laste van de gemeenschap, maar moesten werken van zodra het kon, desnoods verplicht tewerkgesteld.

 

 
 

 

Karel V decreteerde in 1531 dat er in elke gemeente een centrale armenkas, een ‘gemene beurs’ zou komen, die de armen die aanspraak konden maken op hulp beter kon selecteren en helpen. De vondelingen en de wezen moesten met de middelen van de gemene beurs gevoed en onderhouden worden.  En arme kinderen moesten scholing en een beroepsopleiding krijgen opdat ze later zelf hun brood zouden kunnen verdienen en op het rechte, katholieke, pad zouden blijven. Weeshuizen en armenscholen werden opgericht. Het edict van de aartshertogen in 1617 legde uitdrukkelijk de bestaande praktijk vast : het was de verantwoordelijkheid van de plaatselijke overheid om voor zijn armen te zorgen. Dat gebeurde eerst met de middelen van de ‘Caritaten’, de liefdadigheidsinstellingen zoals godshuizen en andere stichtingen die voor een specifieke doelgroep waren ingericht, vervolgens met de middelen van de Tafels, vervolgens door het dorp of de stad zelf voor die armen die niet ten laste van een bepaalde wijk konden worden gelegd, zoals de vondelingen bijvoorbeeld.(1) Plaatselijk maakten de verschillende zorginstanties wel eens afspraken die enigszins van de algemene regel afweken. De centralisatie van de middelen werd in de steden met wisselend succes opgevolgd. In Brussel werd de zorg voor de vondelingen in de zeventiende eeuw aan een apart bestuur toevertrouwd.

(1)
Liefdadigheidsinstellingen werden met giften gefinancierd. Men diende de wil van de schenkers te respecteren.

 

 

Organisatie van Burgerlijke Godshuizen en Burelen van Weldadigheid

 

 
Oprichting

 

De Convention Nationale proklameerde dat de Staat zich moet belasten met de fysieke en morele opvoeding van "les enfants abandonnés" aan wie men de officiële benaming "orphelins" gaf (Velge, 1919, I, p.31). Een "positieve" bescherming van of hulpverlening aan de kinderen wordt aangeboden door de wetten van 16 vendémiaire en 7 frimaire van het jaar V, die respektievelijk de organisatie van de Burgerlijke Godshuizen en van de Burelen van Weldadigheid regelen.

  • Wie zichzelf niet kan behelpen maar thuis kon geholpen worden viel onder de bevoegdheid van de weldadigheidsburelen;

  • Wie niet thuis kan verzorgd worden, bijv. omwille van zijn jonge leeftijd, gezondheid of ouderdom, valt onder de bevoegdheid van de Burgerlijke Godshuizen om in hun hospitalen opgenomen te worden.

 

 
Het decreet van 19 januari 1811.

 

Dit decreet - België maakte toen deel uit van Frankrijk - moest de Openbare Weldadigheid voor heel het land regelen. Het bevestigde de optie voor gezinsplaatsing. Op jongere leeftijd werden kinderen toevertrouwd aan voedsters, wat ouderen aan landbouwers of ambachtslui - de meisjes in de huishouding, bij een naaister, in de fabriek of manufaktuur. Kleine kinderen die ten laste vielen van de Openbare Weldadigheid werden in de meeste gevallen toevertrouwd aan pleeggezinnen. In grote steden beschikten de besturen vaak wel over instellingen, waar men met zeer jonge kinderen terecht kon.

Het decreet van 19 januari 1811 beoogt volgens artikel 1 de vondelingen, de verlaten en de arme weeskinderen. De openbare weldadigheid heeft de wettelijke opdracht te zorgen voor deze categorieën van kinderen. In het verslag van Colaert worden ze "les enfants matériellement abandonnés" genoemd (p.482).

  1. Wezen zijn kinderen die  "n'ayant ni père ni mère, n'ont aucun moyen d'existence" (art. 6). In het algemeen werd iemand echter wees genoemd wanneer hij opgenomen is in een "weeshuis". Men hield zich immers niet aan de strikte wettelijke definitie. Men nam er ook verlaten kinderen op of kinderen van arbeiders die wegens ziekte, handicap, ongeval enz. niet hun ganse gezin kunnen onderhouden (Velge, 1919, I, p.142).

  2. Verlaten kinderen zijn kinderen die "nés de père ou de mère connus, et d'abord élevés par eux ou par d'autres personnes à leur décharge, sont délaissés, sans qu'on sache ce que les père et mère sont devenus et sans qu'on puisse recourir à eux" (art. 5). Ook deze definitie moet in brede zin worden opgevat :"Il faut, en effet, comprendre dans cette catégorie les enfants temporairement abandonnés, qu'il n'est pas possible de remettre à leurs parents et qui tombent, par ce fait, à charge de la bienfaisance publique". Dat volgt volgens Velge uit een koninklijk besluit van 22 november 1861 volgens hetwelk men onder de woorden 'recourir aux parents' verstaat "un recours qui puisse avoir pour effet de faire cesser la nécessité d'entretenir l'enfant."

  3. Vondelingen tenslotte zijn die kinderen die "nés de père et mère inconnus, ont été trouvés exposés dans un lieu quelconque, ou portés dans les hospices destinés à les recevoir" (art. 2). Deze kinderen vinden volgens Colaert "dans nos lois une protection qui paraît suffisante" (Colaert, p.482).

 

 
Principes.

 

Dit decreet van 1811 legt de principes vast volgens dewelke de kinderen die aan de burgerlijke godshuizen worden toevertrouwd moeten opgevoed worden. Het markeert, volgens Berger, "l'étape fondamentale de notre droit de l'assistance publique aux mineurs. La loi organique de l'assistance publique recopie, en fait, ce décret" (Berger, p.66). Het decreet spreekt een duidelijke voorkeur uit voor plaatsing van de kinderen in pleeggezinnen (Velge,1919,I,p.40; ook Berger, p.67).

  • Artikel 9 voorziet dat de kinderen vanaf 6 jaar oud - "autant que faire se pourra" - in de kost worden gebracht bij een landbouwer of ambachtsman ("mis en pension", Berger, p.66). Kinderen die niet in pension kunnen worden gebracht, "les estropiés, les infirmes", zullen worden opgevoed in het hospice.

  • Artikel 17 stipuleert dat de kinderen die de volle leeftijd van 12 jaar volledig hebben afgelopen, in de leer gaan, de jongens bij landbouwers of ambachtslui, de meisjes in de huishouding, kleermaaksters of andere beroepen, of in fabrieken of manufacturen.

 

 
Praktijk

 

De toelage voor de kinderen die in de kost werden uitbesteed, verminderde geleidelijk aan tot aan de leeftijd van 12 jaar.  Deze voorwaarden waren volgens Velge niet erg bevorderlijk voor een goede praktijk van de gezinsplaatsing. De onderhoudstoelage verminderde geleidelijk, zodat de pleegouder een beroep moest doen op de arbeid van het kind en, indien mogelijk, er enige winst aan over te houden. Vanaf de leeftijd van 12 jaar konden ze niet meer rekenen op onderhoudsgeld, zodat de arbeid van het kind in ieder geval moest voldoen om de kosten van onderhoud te rekupereren. Gelukkig werden volgens Velge de uitgangspunten van deze wet niet altijd volgens de letter toegepast (Velge, 1919,I,p.40).

Wat gebeurde er echter met de kinderen beneden de zes jaar ? Berger zegt :"On ne conclut que, pour le moins, une préférence est inscrite dans la loi en faveur du placement en famille : cette solution doit être retenue autant que possible. Toutefois, les enfants de moins de six ans sont maintenus dans l'établissement et cela uniquement dans l'intérêt de leur santé." (Berger, p.67) Daarnaast heeft hij het ook over het toevertrouwen van de kinderen aan een voedster : "les enfants trouvés nouveau-nés seront mis en nourrice aussitôt que faire se pourra; jusque-là, ils seront nourris au biberon ou même au moyen des nourrices résidant dans l'établissement. Ils resteront en nourrice ou en sevrage (spenen) jusqu'à l'âge de six ans" (Berger, p.66)

Samenvattend kunnen we besluiten dat kinderen (D'Hoker e.a., p. 14; ook D'Hoker, p. 48):

  1. beneden de zes jaar - tenminste de pasgeboren vondelingen - van zodra het mogelijk is, uitbesteed worden als voedsterling op het platteland;

  2. vanaf zes jaar  - tenminste "autant que faire se pourra" (Berger, p.66) - in de kost worden geplaatst bij landbouwers of ambachtslui;

  3. vanaf 12 jaar in de leer worden geplaatst of als meid of knecht werken voor eigen kost en inwoon.

 

 
De wetten van 1891 en 1898

Een belangrijke wet is de wet van 27 november 1891, die bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor het geven van bijstand. Het domicile de secours is die gemeente waar de behoeftige zich bevindt op het ogenblik dat hulp noodzakelijk wordt. Een wettige minderjarige heeft in principe dezelfde domicilie als zijn vader, als zijn moeder wanneer vader is overleden. Het natuurlijk kind heeft, zelfs al is het erkend, dezelfde domicilie als zijn moeder. Die wet bepaalt ook dat de gemeente op wier grondgebied zich een minderjarige van minder dan 16 jaar bevindt, wiens vader alleen of wiens vader én moeder beiden zijn overleden, alle kosten van onderhoud en bijstand mag terugvorderen van de gemeente "domicile de secours".

Hetzelfde principe vinden we terug in de wet van 19 mei 1898 die speciaal van toepassing is op natuurlijke kinderen die in pleeggezinnen zijn geplaatst door de moeder en daar later door haar worden achtergelaten. Dank zij deze bepaling kon de gemeente waar het kind was geplaatst de kosten voorschieten, omdat ze erop kon rekenen ze terugbetaald te krijgen. Hiermee wilde men een eind maken aan de "criminele" (Velge, 1919,I,p.36) praktijken vooral rond de grote steden, waarbij een moeder haar kindje plaatste in een pleeggezin tegen de belofte om een redelijke onderhoudsprijs te betalen, haar kind daar dan achterliet zonder nog verder te betalen. De pleegouders die geen kosten van onderhoud meer kregen, konden ze niet krijgen van de gemeente en trachtten zich van de kinderen te ontdoen. Op die manier zouden in sommige gemeenten de helft, twee derden tot drie vierden van de op die manier geplaatste kinderen sterven.

 

 
Plaatsingspraktijk.

In principe waren dus de Burgerlijke Godshuizen bevoegd, van zodra de kinderen "gehospitaliseerd" moesten worden. In de praktijk gebeurt het wel anders.
 
  • In Antwerpen bijv. vielen de wezen onder het bestuur der godshuizen en de verlaten kinderen onder het weldadigheidsbureel (Velge, 1919, I, p.36-38).
  • In de provincie Limburg bestonden weinig of geen instellingen die afhingen van de Burgerlijke Godshuizen, zodat de Weldadigheidsburelen zich om deze kinderen bekommerden om ze te plaatsen in een private instelling of pleeggezin (Velge, 1919, I, p.138).
  • De grote steden zoals Brussel, Antwerpen, Luik en Gent hebben in het algemeen zelf instellingen opgebouwd om hun beschermelingen op te vangen. In andere gemeenten zal het Weldadigheidsbureel bemiddelen bij plaatsing hetzij in een Hospice in een naburige gemeente, hetzij in een private instelling of in een pleeggezin.

In 1919 zouden er in België een 16.000 kinderen geplaatst zijn in 326 weeshuizen (meestal privé-weeshuizen) (Velge p.142-144).

De indiener van het wetsvoorstel tot hervorming van de Openbare Weldadigheid, Amédée Visart, zegt in 1920 dat een andere organisatie van de openbare weldadigheid ertoe moet leiden dat elke behoeftige een aan zijn behoefte aangepaste oplossing kan vinden. Hij hoopt ook dat de "excessieve" groei van het aantal weeshuizen met de hervorming kan afgeremd worden : "Certaines administrations d'hospices, si elles en avaient la latitude, placeraient plus de vieillards dans les familles, plus d'enfants abandonnés et d'orphelins à la campagne. Cela vaudrait mieux pour les indigents et en même temps serait moins coûteux que le développement excessif des asiles et des orphelinats, qui ne donnent pas toujours de bons résultats." (Visart, p.218)

 

 

© Erik Zwysen, 10 april 2004
Laatste aanpassing 28 juli 2016