Start
Omhoog
O.Weldadigheid
Kinderbescherming
Kinderwelzijn
Adoptie/Regelg

 

Ontwikkeling van het Kinderwelzijn

in Vlaanderen

 

 
 
[Criteria] [Instanties] [Voorzieningen]
 



Op deze bladzijde geven we een overzicht van de ontwikkeling van het kinderwelzijn in Vlaanderen.

Op andere pagina's gaan we meer in detail in op de volgende aspecten van deze ontwikkelingen :

 

Met de term 'kinderwelzijn' verwijzen we naar de werking van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (1919) en Kind en Gezin (1984) en het bredere veld van ideeën en activiteiten waaruit de genoemde kaders ontspruiten.

 

 

Inhoud

 

 
 

 

Het ontstaan van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn.

Les oeuvres de protection matérielle - Assistance préventive - Ontwerp van Gezondheidswet - Comité National de Secours et d'Alimentation

 
  Voor de Eerste Wereldoorlog waren al verschillende private en ook officiële organismen opgericht die de voeding verzorgden voor zuigelingen in de zogenaamde zuigelingenkeukens. Daarnaast waren er ook al een zeventigtal raadplegingen voor zuigelingen (RZ) werkzaam. Deze instellingen werden voornamelijk geleid door "geneesheren en liefdadige dames" (Jaspar, p.264). Ook kinderen "die door eigen familie niet werden opgevoed" werden "in officieuze en gemeentelijke of in al dan niet ondersteunde private inrichtingen opgenomen" (Jaspar, p.264). Hiermee doelt men op de reeds ontstane kindercrèches. Al deze inrichtingen waren aangesloten bij de "Ligue Nationale Belge pour la protection de l'enfance du premier âge". Ook werden voor stadskinderen reeds verblijven georganiseerd op de buiten. Al deze instellingen worden door Velge "les oeuvres de protection matérielle" genoemd "qui assurent l'entretien et l'alimentation des enfants qui sont confiés à leurs soins" Hiermee worden ze onderscheiden van "les oeuvres de protection morale" (zie kinderbescherming).

Deze "werken" worden in het bij het wetsontwerp van 1919 gevoegd verslag van het "Département de l'Enfance" eveneens gekaderd in de aan gang zijnde hervormingen van de openbare weldadigheid. In het bijzonder wordt verwezen naar nieuwe ideeën zoals de "assistance préventive". Het gaat hier om "eenen tegemoet komenden bijstand voor hem, die aan zich zelf overgelaten, op zijne beurt binnen korten tijd zou genoodzaakt worden zich tot de weldadigheid te wenden". Tal van werken die zich "bijzonder met kinderbescherming bezig hielden" hadden reeds nu en dan beproefd "eene preventieve weldadigheid" in te richten.

Een eerder Ontwerp van Gezondheidswet voorzag in 1911 reeds maatregelen ter aanmoediging van "les oeuvres protectrices de l'enfance". Dit ontwerp wilde namelijk in het kader van de verbetering van de volksgezondheid een stelsel tot bescherming van het jonge kind invoeren. Motivaties zijn o.a. het vormen van een tegengewicht tegen het "stijgend deficit der geboorten" (Berryer, p.401) of "de toekomst van het Belgisch ras" (Jaspar, p.278). De bescherming is bij uitbreiding ook gericht tegen de "ziekelijkheid", meer bepaald de zwakheden die mee aan de oorsprong liggen van de kindersterfte zoals maag- en darmaandoeningen en "aanstekelijke" ziekten. Bij deze zeer jonge kinderen moet men echter "om al de betreurenswaardige zijden van den toestand te beseffen,(...) het getal der onderblijvelingen en der tot tering voorbestemde kinderen voegen, welke wel aan den dood ontsnappen, maar gansch hun leven erfelijk belast blijven, hunne familie en vervolgens hunne afstammelingen belasten" (Berryer, p.399). M.a.w. ook rachitische en prétuberculeuze kinderen worden beoogd met deze bescherming. Vandaar dat het ontwerp na veel overwegingen en vergelijkingen met het buitenland een toezicht zal voorstellen over uitbestede kinderen tot de leeftijd van zeven jaar. De genoemde problemen bij uitbestede kinderen waren immers nog groter. Dit toezicht over de plaatsing van kinderen bij een min of een baker zal door het N.W.K. worden opgenomen.

Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK) is in feite een product van de oorlog. Het is de voortzetting van het  "Département de l'Enfance" van het Comité National de Secours et d'Alimentation. Dit semi-officiële Comité, waarin financiers, industriëlen, politici en syndicalisten samenwerkten, organiseerde reeds vanaf oktober 1914 de voedselhulp voor de armsten (Scholliers, p.32). Dit gebeurde via provinciale en plaatselijke comités. Een tijdlang verzorgde men ook de achterstallige betalingen van het kostgeld voor de kinderen die de kinderrechter geplaatst had. Het wijst  op de soepelheid waarmee de organisatie haar middelen kon inzetten. Haar voornaamste bezigheid werd echter de geldelijke steun aan de Werken voor Kinderwelzijn. Hiermee richt het Nationaal Comité zich op wat haar voornaamste doel zou worden : "de hygiëne en de voeding der kinderen" (Velge, 1941, p.12). Naast de crèches steunde het Comité ook "weeshuizen (en) vereenigingen tot bescherming der mishandelde kinderen" (Velge, 1941, p.12). Het duidt op het reeds van bij de aanvang aanwezige sociale aspect van de bedoelde kinderbescherming. De bescherming is echter vooral gericht tegen de kindersterfte. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp voor de instelling van het NWK verwijst o.m. naar "l'attention constante" van de Geneeskundige en hygiënische dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken  voor "la vie de la première enfance". Het is op deze laatste traditie dat men het wetsontwerp zal laten aansluiten. Naast de kinderbescherming van de wet van 1912 maakt dit van België een land "waar kinderbescherming in eere staat".

 
 

 

Het sluitstuk : de wet van 5 september 1919 op het kinderwelzijn.

Kinderbescherming - Openbare instelling - Hoge Raad der Werken voor Kinderwelzijn - Instellingen - Nieuwigheden

 

 
  De kinderbescherming die het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (N.W.K.)  moet aanmoedigen en ontwikkelen en tot doel heeft "tot de verbetering van de kinderhygiëne en de kindervoeding bij te dragen" (Pussemier, p.89­4), betekent in de termen van de wet : "de verspreiding en de toepassing (...) bevorderen van de voorschriften en wetenschappelijke methoden van kinderhygiëne, hetzij in huisgezinnen, hetzij in de openbare of private instellingen voor opvoeding, bijstand en bescherming; de werken, welke zich met kinderhygiëne bezighouden, aan te moedigen en met toelagen of op andere wijze te ondersteunen; bestuurlijk en geneeskundig toezicht te houden op de beschermde werken." (art. 2). Dit alles moet natuurlijk gebeuren met "inachtneming van het onvervreemdbaar recht der familie om de opvoeding van het kind te leiden" (Pussemier, p.896). De kleine wijzigingen in het wetsontwerp die de Middenafdeling voorstelde beoogden niet enkel meer vrijheid voor de gesubsidieerde werken (Velge, 1941, p.18), maar blijkbaar eveneens voor "la mère de famille, la future mère surtout (qui) est soucieuse de conserver l'indépendance et de sauvegarder l'intimité de son foyer" (Pussemier, p.894).
De taken van het NWK en haar instellingen werden van bij het begin aangeduid met de termen kindervoorzorg, kinderwelzijn en kinderbescherming. De wet spreekt ook van hygiëne.

Het N.W.K. wordt met deze wet opgericht als een een openbare instelling. Ze heeft rechtspersoonlijkheid en ze oefent een algemeen noodzakelijke dienst uit. Deze techniek komt in het begin van de eeuw meer voor. O.m. de daling der kindersterfte tijdens de oorlog bewees dat een vrij zelfstandig opererend orgaan met behulp van plaatselijke initiatieven succes kon opleveren. Het N.W.K. ontstaat dan "door een geleidelijke en voorzichtige aanpassing aan de werkelijkheid veeleer dan door een stelselmatig en vooropgezet plan" (Minister Jaspar, geci­teerd in Velge, 1941, p.17).

Het N.W.K. wordt bestuurd door de Hoge Raad der Werken voor Kinderwelzijn. Met het oog op het zelfbestuur van het N.W.K. wordt bedongen dat de 40 leden, voor de eerste vijf jaar benoemd door de Koning, vervolgens door coöptatie worden vervangen. In de praktijk werden de mandaten ieder vijfjarig tijdperk vernieuwd en in 1939 bij K.B. verlengd. De onafhankelijkheid wordt ook bevestigd door het feit dat het N.W.K. zijn eigen organiek reglement mag vastleggen. Weliswaar moet het door de Koning worden goedgekeurd. Dit reglement bepaalt de oprichting en de werking van het Dagelijks Bestuur, het Hoog Geneeskundig Bestuur, de Provinciale en Plaatselijke Commissies, een structuur zoals die van het Nationaal Comité uit de oorlogsjaren.

De wet voorziet verder drie reeksen op te richten of toe te laten instellingen : de raadplegingen voor zuigelingen (RZ) en bijgevoegde instellingen, de cantines voor zwakke kinderen en schoolmaaltijden en tenslotte de kolonieën voor zwakke kinderen. De RZ verzorgen kosteloze consultaties voor kinderen beneden de drie jaar. Het gaat wel om "voorbehoedende" geneeskunde en niet om genezende. Voor ziekten moet men in principe doorverwijzen naar de huisdokter. Ze moeten ook prenatale raadplegingen inrichten, de hoofdbegrippen rond hygiëne van jonge kinderen verspreiden, propaganda maken voor borstvoeding enz.. Hier duikt duidelijk de opvoedkundige rol op van het N.W.K.  Vervolgens behandelt de wet een aantal taken, waarvan het algemene nut "niet volstrekt bewezen" is. Het betreft de keukens voor moeders, de schoolmalen, de voedingsdiensten voor heel jonge kinderen, zwangere vrouwen en zogende moeders en de bijkomende voeding voor zwakke schoolkinderen. Waar ze bestaan moeten ze ondersteund worden. Het N.W.K. mag ze slechts inrichten waar zulks volstrekt noodzakelijk zou blijken na onderzoek. Deze werken tot voeding der jonge kinderen, zwangere vrouwen en moeders-voedsters moet het N.W.K. toelaten zodra ze aan de voorwaarden voldoen. Dat ontneemt het N.W.K. een zeker "waardeeringsvermogen", maar is een aanpassing van het wetsontwerp ten voordele van de vrijheid van het plaatselijke initiatief.

Naast het instandhouden van reeds bestaande instellingen voorziet de wet o.i. slechts in twee nieuwigheden. Dat is ten eerste het instellen in elke gemeente van één of meer raadplegingen voor zuigelingen. In gemeenten waar het private initiatief daarin nog niet voorziet zal het N.W.K. ze zelf oprichten. Deze verplichting wordt in de latere wet een recht ("zal" wordt "kan") waarvan overigens geen gebruik werd gemaakt (Velge, 1941, p.59). Het gaat hier dus om een uitbreiding van het ruimtelijk bereik. En ten tweede het instellen binnen de RZ van het toezicht op uitbestede kinderen. Deze taak, "qui est dévolue à votre jurisdiction" (Inspecteur-generaal Wauters van de kinderbescherming in 1920 tot de vergaderde kinderrechters; Wauters, p.725), beklemtoont zoals de taak t.a.v. de kolonies "de beschermingsidee die bij de oprichting van het N.W.K. duidelijk op de voorgrond trad" (Vandenberghe, 1984, p.4). Het betreft kinderen die tegen betaling worden uitbesteed voor langer dan slechts een dagverblijf (Velge, 1941, p.81). Veel uitbestedingen geschiedden bij "pleegouders die niet het minste begrip hebben inzake het opvoeden van een kind". M.a.w. ook hun pedagogisch onvermogen noodt het N.W.K. tot toezicht, en niet louter de medische aspecten. Het reglement van het N.W.K. bepaalt dat de geneesheer of verpleegster tenminste eens per maand de kinderen zal bezoeken "teneinde zich te vergewissen of zij de noodige zorgen krijgen". De pleegvader of oppasser moet zich ertoe verbinden "zich te gedragen naar de aanwijzingen die het Comité van de raadpleging hem in het belang van de gezondheid en van de zedelijkheid der kinderen zal geven" (eigen onderstreping).
Bovendien heeft het N.W.K. de opdracht toezicht te houden op de private instellingen die kinderen beneden zeven jaar opnemen en op de "gestichten" die afhangen van de Commissieën van Openbaren Onderstand. Er zijn immers ook instellingen "wier organisatie beslist niet deugt".

 
 

 

Het Kinderwelzijn tot aan de Tweede Wereldoorlog

Toenemende medicalisering - Verspreiding raadplegingen voor zuigelingen - Kribben en kleintjesoorden - Plaatselijke comités - Toezicht op de uitbestede kinderen - Melkkwaliteit.

 

 
  De twee meest in het oog springende opdrachten die aan het N.W.K. waren toegewezen zijn hygiëne en voeding. Dit gebeurde in functie van de strijd tegen de kindersterfte en tegen de ziekelijkheid, of, m.a.w. in positieve bewoordingen : ten voordele van de gezondheid van jonge kinderen. Het ging m.i. om preventieve gezondheidszorg, m.a.w. preventieve zorg ten voordele van de gezondheid. Hoewel we ook reeds andere finaliteiten zagen opduiken, zoals de zedelijkheid bijv., leiden de ontwikkelingen voor W.O. 2 naar een toenemende medicalisering. Dit is ten eerste het geval omdat een aantal bedrijvigheden vervallen. Vrijwel alle werken voor voeding van jonge kinderen verdwijnen. De melkkeukens voldoen niet langer aan een behoefte van zodra de moeders zich in de handel de melk kunnen aanschaffen die ze nodig hebben. Ook de moeders hielden na het verbeteren van de toestand op de cantines te bezoeken. De cantines voor zwakke kinderen en de schoolmaaltijden verdwijnen eveneens.

De raadplegingen voor zuigelingen werden beschouwd als bij uitstek het belangrijkste instrument tegen de kindersterfte. Ze moesten dan ook zoveel mogelijk verspreid worden. Tegen het begin van de Tweede Wereldoorlog bedient men 776 gemeenten met 1386 raadplegingen, het hoogste aantal over heel deze periode. Aanvankelijk werden de moeders naar de raadplegingen gelokt met premies, zoals kledingsstukken of voedingswaren voor de kinderen. Dit was nodig zolang "de opvoeding der moeders nog niet af was" (Velge, 1941, p.69). Vanaf 1927 zal men dit stelsel vervangen door een propagandatoelage aan de raadplegingen. Bedoeling is o.m. om door een verbeterd (vooral medisch) aanbod de moeders te overtuigen van de zin van de raadplegingen. Er was toen echter vooral een tekort aan gespecialiseerde kinderartsen, wat men onder meer wilde ondervangen door het verplichten van stages in modelraadplegingen. Het belang dat aan de goede medische organisatie en aan de rol van de arts daarin wordt toegeschreven, en de inspanningen om voldoende gespecialiseerd personeel te vinden, leiden dan ook tot een voortdurende uitbreiding van de rol van het Hoog Geneeskundig Bestuur (Velge, 1941, p.34). Vandenberghe zegt dan ook dat de kinderzorg in deze periode "grotendeels te herleiden (is) tot een eerste vorm van preventieve geneeskunde" (Vandenberghe, 1984, p.7). Men mag immers niet vergeten dat de bij uitstek grootste uitgavenposten van het N.W.K. in deze periode de raadplegingen voor zuigelingen zijn enerzijds en de kolonies voor zwakke kinderen anderzijds. Samen slorpen ze zo'n 80 % van de begroting op.

Ook de instellingen vormen juist onder het oogpunt van de hygiëne, een groot probleem. Hoewel de kribben en kleintjesoorden niet vermeld worden in de wet van 1919 was er nooit sprake van hen niet te subsidiëren. De kribbe, bestemd om kinderen op te nemen wier ouders overdag werken, werd beschouwd als een "noodzakelijk kwaad". Men hoopte dat het over zou gaan. De kleintjesoorden daarentegen achtte men noodzakelijk "in een land waar de sociale instellingen goed georganiseerd zijn; er zullen, inderdaad, altoos weeskinderen zijn en kinderen die speciale medische zorgen behoeven" (Velge, 1941, p.117). Men kan begrijpen dat de reglementering vooral op medische en hygiënische voorschriften is toegespitst "vanwege het gevaar dat er ontstaat inzake kindersterfte daar waar veel kleine kinderen gezamenlijk verblijven" (Velge, 1941, p.118). De reglementering wordt in 1938 zelfs nog verstrengd omdat, o.m. wegens de financiële moeilijkheden van de inrichters, het toezicht op zich niet voldoende bleek om de toestand te verbeteren. Veel instellingen waren immers reeds oud en vaak ondergebracht in vervallen gebouwen die niet aangepast waren aan de eisen van de hygiëne. Overigens bleek ook het NWK niet in staat meer subsidies te geven, integendeel. Begrotingsmoeilijkheden en conflicten met de subsidiërende overheid zijn voortdurend aan de orde. Het heeft het NWK belet "zoo strikt te zijn als het zelf wenschte" (Velge, 1941, p.119).

De werking van de plaatselijke comités, die steeds op een laag pitje brandde, verdween vrijwel geheel toen bij wet van 22 januari 1931 de gemeentelijke tussenkomst in de onkosten der toegelaten werken werd afgeschaft. Veel gemeenten verloren toen hun belangstelling voor het verder beheer van bv. de raadplegingen. Dit gaf dus een groter belang aan de centrale diensten, waar het Geneeskundig Bestuur en de medische adviseurs vooral de doorslag gaven.

Het toezicht op de uitbestede kinderen, hoewel ook opgezet tegen de kindersterfte, had mogelijk meer sociale dynamiek kunnen inbrengen. Aanvankelijk was er echter geen sanctie voorzien voor wie zich niet aan de bepalingen van de artikels 12 en 13 van de wet op het NWK hield. Dat is pas in 1935 het geval. Bovendien viel het niet altijd mee om alle uitbestedingen op het spoor te komen. Men betrachtte dit wel, o.m. met een rondschrijven naar de burgemeesters, de C.O.O.'s, de kinderrechters en de parketten. Toch bleef het N.W.K. ook zijn sociale rol spelen. Men bemiddelde bijv. zelf bij het uitbesteden van kinderen. Het is zelfs vooral ter gelegenheid van dit toezicht dat "het groot gewicht van de maatschappelijke rol" (Velge, 1941, p.85) van het N.W.K. wordt bewezen. Wat hierbij opvalt is het voortdurend belang dat gehecht wordt aan de rol van de moeder en de ondersteunende rol van het N.W.K. die het louter medische overschrijdt. Ook tegenover "onverschillige" moeders, "gevallen meisjes" enz.. Overigens passen in deze traditie de tehuizen voor moeder en kind die zich vooral richten op de "verstooten" meisjes.

Even treedt het N.W.K. buiten zijn oevers wanneer het na zijn Congres in 1924 tracht een actie op touw te zetten om de kwaliteit van de melk te verbeteren. Men wilde de leveranciers behoorlijker vergoeden, de melk dagelijks controleren, melkvoorraadstations oprichten en de gemeentebesturen sensibiliseren betreffende de verkoop, het vervoer en de levering van melk. In 1929 werd het NWK echter teruggefloten door het Bestuur van Volksgezondheid. Het toont wel aan dat het NWK begreep dat de kindersterfte niet enkel via de zuigelingenzorg was op te lossen. Hoewel de inspanningen van het NWK dus vooral gaan in de richting van het medicaliseren, krijgt men zijn medische rol blijkbaar ook van buitenaf opgedrongen.


(met dank aan Peter Spijkerman)
 

 

Het Kinderwelzijn na de Tweede Wereldoorlog

Toegenomen welvaart en sociale zekerheid - Stijging van de behoeften - Ontwikkeling in de medische wetenschappen - Nood aan inspiratie - N.W.K. op een kruispunt.

 

 
  Na de Tweede Wereldoorlog blijft het terugdringen van de kindersterfte de allereerste bekommernis. De kwaliteit van de RZ en van de eind jaren 30 gestarte prenatale raadplegingen wordt voortdurend verbeterd. Nochtans kondigen zich sterke accentwijzigingen aan.

Er zijn ten eerste de activiteiten die een teruggang kennen tengevolge van de ontwikkeling van de sociale zekerheid. Dat is zo het geval voor de prenatale raadplegingen. Ook de kolonies voor zwakke kinderen kennen een vermindering van hun bezetting (zie Deel II). Dat is het gevolg van de vergrote welvaart, de betere en gezondere voeding dus, het veralgemeende hygiëne-besef, de betere bescherming tegen infectieziekten door vaccinaties en een verbeterde huisvesting. Het pauperisme is teruggedrongen. Een andere reden die hiermee wellicht ook verband houdt, is dat de ouders minder en minder geneigd zijn hun kinderen naar een kolonie te sturen, voornamelijk onder druk van de onderwijzers, die niet graag hun kinderen voor een trimester zagen vertrekken.

Andere problemen voor het NWK worden veroorzaakt door de snelle stijging van de behoeften. Het net van kinderkribben en peutertuinen breidt zich snel uit. Het N.W.K. wil in de toekomst nog een betere geografische verspreiding hiervan realiseren. Ook het aantal onthaalmoeders neemt toe. Deze ontwikkelingen brengen niet enkel problemen van praktische en organisatorische, maar ook van financiële aard met zich mee. Vooral het opzetten van degelijke begeleiding "op psycho-sociaal vlak" van al diegenen die in deze sector van "onthaal voor het jonge kind" werkzaam zijn ziet men als "van primordiaal belang". Waar het N.W.K. in de jaren '20 de kribben nog zag als "een noodzakelijk kwaad" waarbij men hoopte dat de huismoeders in een betere toekomst hun "huiselijken haard niet meer zullen moeten verlaten" (Velge, 1941, p.117-118) zegt men in 1974 : "Het kan niet genoeg onderstreept worden dat het N.W.K. zich bewust is van zijn taak op dat vlak en o.m. bij monde van het Hoog Medisch Comité niet nalaat regelmatig en op systematische wijze de nadruk te leggen op het feit dat voorzieningen dienen geschapen te worden in de schoot van het N.W.K. zelf om de opvang van deze kinderen in de beste voorwaarden te laten verlopen" (Bande-Knops, 1975, p182-183). Deze tekst geeft de indruk dat men zowel t.a.v. de buitenwereld als t.a.v. zijn eigen mensen de behoefte voelt om deze taak uitdrukkelijk voor zich te claimen. Dit is wellicht niet te verwonderen want de overheid heeft deze taak a.h.w. aan het N.W.K. moeten opdringen. Ook het initiatief tot subsidiëring van de diensten voor onthaalmoeders via het N.W.K. kwam in 1975 van de overheid "ondanks een zekere aarzeling van het N.W.K." (Vandenberghe, 1984, p.18). Men rechtvaardigt deze taken dan door "de gezondheid van het kind" te zien "in het breed perspectief van de W.G.O." (Bande-Knops, 1975, p.188). De term gezondheid dekt dan zowel lichamelijke, geestelijke als sociale gezondheid.

De ontwikkeling in de medische wetenschappen na de Tweede Wereldoorlog, met de toename van pediaters en gynaecologen, stimuleert enerzijds een verdergaande medicalisering. Meer en meer bepalen wetenschappers en deskundigen de te begane paden. Ze is tegelijkertijd echter zelf mee verantwoordelijk voor de verbreding van het gezondheidsbegrip. Door specialisatie richt men zich ook op de intellectuele, emotionele, cognitieve, conatieve, affectieve, morele en sociale ontwikkeling. M.a.w. met gezondheid wordt op den duur het algehele welzijn bedoeld.

We hebben de indruk dat het N.W.K. het vooral in de jaren 70 moeilijk heeft met de aan gang zijnde ontwikkelingen. Een lid van de Hoge Raad verzucht dat er "geen kernidee, geen hoofdgedachte (is) die alle activiteiten van het NWK bezielt en voortstuwt" (H.R., 11 feb 75). Dezelfde spreker spreekt van een "malaise" juist in de hoofdactiviteit van het NWK, de raadplegingen. "Toen de zuigelingensterfte hoog was, waren de RZ zeer actief; nu zijn de levensomstandigheden beter en die dwingende, bezielende idee is weg". Iedereen was het blijkbaar eens met de noodzaak aan een inspiratie, maar tenslotte wordt in die vergadering toch gekozen voor het uitvoeren van de dringende praktische opdrachten van de verschillende werkgroepen. De verwarring mag blijken uit artikels uit de jaren 70. Zo wordt de taak van het NWK o.m. geschetst onder de noemers : moeder- en kinderzorg, familiewelzijn, gezondheidszorg voor moeder en kind, welzijnszorg voor de gezinnen, preventieve gezondheidszorg, familiale gezondheidszorg en familiale welzijnszorg. De opvang van de kinderen in de kolonies onder de noemer geestelijke gezondheid (Bande-Knops, 1975). Het moreel verslag van 1978 schetst de evolutie van de prenatale raadplegingen onder de term moederschapshygiëne. Verder wordt de moeder- en kinderzorg, waaronder de hele werking van het N.W.K. gedurende 60 jaar valt, geciteerd als een tak van de preventieve gezondheidszorg. Men spreekt ook over de zorg voor moeder en kind "of beter nog, de zorg voor het gezin". De werking van het N.W.K. valt ook onder de noemer moederschapszorg en kinderhygiëne. Tenslotte spreekt men nog van de preventieve gezondheidszorg voor het gezin.

In 1974 bevindt het N.W.K. zich dan ook naar eigen zeggen op een kruispunt (Bande-Knops, 1975). Er dringen zich bepaalde opties op. Enerzijds verlangt men van de overheid duidelijke uitspraken over het belang dat ze aan "moeder- en kinderzorg" wil toekennen. Anderzijds, daarmee samenhangend, vraagt men naar de "zo broodnodige" personele, technische en financiële middelen. Bovendien kampt men met enkele structurele problemen. De Hoge Raad wil meer betrokken worden bij de gang van zaken en een herziening van het organiek reglement met o.m. een nieuwe afbakening van bevoegdheden ten aanzien van het Dagelijks Bestuur dringt zich op. Ook ontstaat onzekerheid over de gevolgen van de staatshervormingen voor het N.W.K.

 
 

Regelgeving

  • Kind en Gezin op Juriwel, de Vlaamse welzijns-, gezondheids- en gezinsregelgeving : Kind en Gezin

 

 
 
© Erik Zwysen, 30 november 2003
laatste aanpassing 27 juli 2016