Start
Omhoog
Criteria
Instanties
Voorzieningen

 

PLAATSENDE INSTANTIES EN PROCEDURES

BIJ OPNAMES IN HET KADER VAN HET KINDERWELZIJN

 

 

 

1919     1978  
 


Op deze pagina gaan we na welke instanties en procedures tussenkomen bij de vrije plaatsing van kinderen in het kader van het  Kinderwelzijn. We bespreken hier vooral de opnames in de kinderkolonies, die vanaf 1978 omgevormd werden tot kinderopvangcentra.
 

 

top

Het Reglement van het NWK schrijft de stappen voor die gevolgd moeten worden voor een opname in de kolonie voor zwakke kinderen. Het is de geneesheer die een kind voorstelt voor opname (art.174 sub a) door middel van een "geneeskundig waarnemingsblad". Hierop moeten volgens de reglementering "alle noodige inlichtingen (staan) om te kunnen oordelen over de werkelijke zwakheid van het voorgesteld kind" (art.174 sub b). Dat men niet altijd overtuigd was van de medische aard van de opnameindikaties blijkt uit de formulering dat de inlichtingen moesten aantonen dat het om "werkelijke" zwakheid gaat. Deze inlichtingen zijn vrijwel uitsluitend van medische aard. Het waarnemingsblad voorziet immers slechts twee regels voor "overwegingen van sociale aard" en vier voor "aanvullende inlichtingen en opmerkingen". De overige ruimte is voorzien voor identiteitsgegevens maar vooral (voor driekwart) voor gegevens over het geneeskundig onderzoek. Dit gebeurt meestal in de scholen en de schoolklinieken (Velge, 1941, p.157). Vaak zijn het de mutualiteiten, de sociale verpleegsters, de schoolgeneesheer, sociale diensten of ouders zelf die rechtstreeks om opname in de kolonie verzoeken. Ze moeten dus wel via een geneesheer passeren.

Deze waarnemingsbladen worden vervolgens verzameld door de provinciale geneeskundige commissie die oordeelt of aan het voorstel gevolg gegeven wordt. Daarna worden ze overgemaakt aan het NWK. Eventueel onderzoekt men daar de waarnemingsbladen zelf indien de provinciale commissie dit wenst (art.174a). Het NWK verdeelt dan de aanvragen over de beschikbare plaatsen. Hierbij moet men tewerk gaan volgens verschillende criteria : baseert men zich op de schoolbevolking van iedere provincie; of houdt men meer rekening met de behoeften van grote steden en nijverheidscentra en bevoordeelt men die kinderen dan (Velge, 1941, p.156-157) ? In ieder geval, wanneer er nog plaatsen beschikbaar zijn, neemt het NWK ook kinderen op die voorgesteld zijn door de gemeentebesturen. Ook voor deze kinderen moet een geneeskundig waarnemingsblad ingevuld worden (art.175). Vraag is of dit artikel werd toegepast.

Voor het vertrek moeten de kinderen nog een medisch onderzoek ondergaan "vooral met het oog op besmettelijke ziekten" (art. 174d). Binnen de eerste acht dagen na aankomst in de kolonie volgt een nieuw geneeskundig onderzoek (Velge,1941,p.160).

De provinciale commissies, eventueel het centraal bestuur van het NWK treden dus op als plaatsende instantie. Doorslaggevend is echter de rol van de geneesheer. Hij verleent het kind het statuut van "zwak kind" dat recht geeft op een plaatsing. De rol van de commissies blijkt zich eigenlijk enkel nog te beperken tot het geven van een prioriteit aan deze of gene aanvraag. Bovendien speelt de geneesheer de hoofdrol bij de verschillende voorgeschreven medische onderzoeken.

 

 

top

In 1978 worden de kolonies omgevormd tot "kinderopvangcentra". Het reglement van 1978 voor de kinderopvangcentra zegt weinig over de opnameprocedure. "Het opvangcentrum neemt kinderen op" (art. 2). Dit betekent dat de ouders zelf vrijwillig om een opname verzoeken, rechtstreeks of na een verwijzing door een sociaal verpleegster van het NWK, een O.C.M.W., huisarts enz. Het KOC zal in haar intakegesprek de ouders horen over "de aard, de intensiteit... van de probleemsituatie" (Werkgroep KOC, p.6) en hen tevens informeren over doelstellingen en werking van een KOC. Meestal heeft men daaraan voldoende aanwijzingen om in het team te bespreken of al of niet een opname zal volgen. In het laatste geval zal men de ouders doorverwijzen naar andere voorzieningen.

Aan de opname zelf worden nog vereisten gesteld. Voorafgaand aan de opname moet een medisch onderzoek gebeuren én moet een "inlichtingsblad" worden bewaard dat alle gegevens bevat omtrent de gezondheidstoestand van het kind. Dit blad moet opgesteld worden volgens het model van het NWK. Ingeval van een dringende opname moet een medisch attest kunnen voorgelegd worden dat de dringende opname rechtvaardigt (art. 7). Opname voor een langer verblijf dan 3 maanden kan slechts op basis van een medisch-psycho-sociaal verslag (art.6). Artikel 8 zegt tenslotte dat het opvangcentrum van elk kind een individueel medisch-pedagogisch-sociaal dossier moet samenstellen.

We kunnen hieruit het volgende besluiten :

1. Het medische aspect blijft zeer belangrijk. O.m. het medisch onderzoek blijft behouden, wat overigens o.i. gerechtvaardigd blijft wanneer men veel kinderen bij elkaar zet.

2. Het KOC wordt zélf de plaatsende instantie, in die zin dat zij de titel verleent die subsidiëring mogelijk maakt. In de praktijk is het KOC het team, samengesteld uit de geneesheer, directie, sociale dienst, groepschef, m.a.w. multidisciplinair. Dit is dus een belangrijke verruiming van de invalshoek.

3. Gevolg hiervan is dat de rol van de ouder in de definitie van de probleemsituatie waarschijnlijk belangrijker wordt. Hij kan zijn probleemoplossing rechtstreeks onderhandelen met de hulpverlenende instantie (Werkgroep KOC, p.4-7). Er is niet langer een instantie die aan zijn probleem een bepaald statuut moet geven vooraleer een opname kan volgen.

4. Het medische dossier wordt aangevuld met een psycho-sociaal verslag (voor langere plaatsingen) en een pedagogisch-sociaal dossier voor alle plaatsingen. Ook dit betekent een verruiming van de invalshoek.

 

 


© Erik Zwysen, 28 februari 2004
laatste aanpassing 14 april 2015