Start
Omhoog
Criteria
Instanties
Voorzieningen

 

HET CRITERIUM VOOR INTERVENTIE IN HET KINDERWELZIJN

VAN DEBILITEIT TOT PROBLEEMSITUATIE.

 

 

 

tot WO II     1952     1960     1970  

top


De kolonies uit de tweede helft van de 19e eeuw waren oorspronkelijk bedoeld om stadskinderen van de gezonde openlucht te laten genieten en "niet speciaal omdat ze debiel waren of rachitis vertoonden" (Willemijns, 1952, p.2). Op het einde van de 19e eeuw zijn reeds verschillende maatregelen genomen i.v.m. woningbouw, urbanisatie en hygiëne opdat men de stadslucht en het stadsleven niet meer per se als ongezond ging beschouwen. Het verblijf in een kolonie was dan ook minder en minder bedoeld als buitenverblijf voor stadskinderen, maar meer en meer als een soort herstellingsoord voor kinderen wier gezondheid door ziekte of vitaminegebrek was aangetast.

Het stijgend aantal aanvragen voor een verblijf verplichtte de verantwoordelijken tot selectie. Het Bureau van het NWK streefde van in het begin dan ook naar een strengere aanwerving. Reeds in 1927 congresseerde het NWK over de methoden tot bepaling van de kinderzwakte. Er bestaat ook veel literatuur en onderzoek over. Verschillende definities en opsporingsmethoden zijn in gebruik. Uiteindelijk komt het naar ons gevoel neer op de definitie die Dr. Dourlet gaf op het genoemde Congres :

"Debiele kinderen zijn deze, die men aan een volledig geneeskundig onderzoek onderworpen heeft en waaruit blijkt aan geen enkele kwaal onderhevig te zijn die een geneeskundige bewerking vereist, en waarbij de geneesheer een organisch tekort heeft vastgesteld dat kan verbeterd worden door een lucht-, rust- of voedingskuur." (De Leenheer, p.6)

M.a.w. debiel zijn diegenen van wie de dokter het zegt. Men is het er dus over eens "dat het niet mogelijk was de criteria der verzwakking vast te stellen. De geneesheer alleen moet hierover beslissen, rekening houdend met allerlei elementen" (Velge, 1945, p.145). Overigens waagt Velge zelf zich niet aan een definitie.

In deze eerste periode die loopt tot aan wereldoorlog II tracht men het criterium dus te hanteren in functie van de selectie met het oog op de toewijzing der plaatsen : eerst diegenen die het werkelijk nodig hebben.

 

Met de term 'kinderwelzijn' verwijzen we naar de werking van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (1919) en Kind en Gezin (1984) en het bredere veld van ideeën en activiteiten waaruit de genoemde kaders ontspruiten.

top

 

Het genoemde Congres beval de besturen van organismen voor kinderheil, de verpleegsters en de sociale assistenten ook reeds aan om aandacht te schenken aan de maatschappelijke omgeving van de kinderen. Vooral ook zouden de oorzaken van de zwakte onderzocht moeten worden. Men hoopte zo door een goede diagnose de behandeling doeltreffender te maken. In de opnameprocedures wordt de tussenkomst van de verpleegster of sociaal assistent echter niet voorzien.

Na de tweede wereldoorlog is er echter meer aandacht voor de sociale aspecten van de lichamelijk zwakte, vooral in functie van de oplossing die men te bieden heeft, d.w.z. in functie van het succes van de kuur. Het Congres van 1952 bestudeert dan ook niet alleen het selectiecriterium met het oog op de indeling der contingenten over de verschillende kolonies, maar ook uitdrukkelijk met het oog op het behoud van de resultaten van de "kolonieverpleging".

Voor het sterker op de voorgrond treden van dit sociale aspect van de debiliteit ziet Willemyns een viertal oorzaken : de vooruitgang van de geneeskunde, het betere preventieve ingrijpen waardoor ziekten voorkomen kunnen worden, de uitbouw van de ziekteverzekeringen waardoor de lagere klassen nu ook toegang hebben tot de verzorging en tenslotte de verbeterde woningbouw en verspreiding van de principes inzake kinderverzorging. "Wanneer de mogelijkheden tot het vermijden van de debiliteit toenamen voor de bredere lagen der bevolking, zouden de gevallen van debiliteit in een groter percentage moeten afkomstig zijn van sociaal-verminkte en gehavende gezinnen, die niet openstaan voor betere geneeskunde en voor gezonder levenswijze" (Willemijns, 1954, p. 462).

Onder invloed van de grote vlucht van kinderpsychiatrie en -psychologie ziet men o.m. des te beter in dat fysische factoren inspelen op de psyche en omgekeerd. Men erkent de sociale omstandigheden mee als oorzaak. Er is nu niet alleen een lichamelijke invloed van het kolonieverblijf op het kind te verwachten, maar ook "in sommige, misschien vele gevallen, een gunstige wending in de ontwikkeling van de psyche of het geestesleven van het kind.(...) Is het geval daarom niet meer medisch maar wel sociaal geworden in verband met het uitzenden ? Zeer zeker niet." (Willemijns, 1952, p.4). Willemijns vermijdt verder wel zijn nogal affirmatieve "zeer zeker niet" te verduidelijken. Hij herbevestigt dat het geval dus wel medisch blijft, maar de sociale kant mag uitdrukkelijk als oorsprong worden erkend. De gunstige inwerking van het verblijf op de psyche wordt nog als een neveneffect beschouwd. Het lichamelijk herstel schijnt nog te primeren. Wanneer het gaat om verwaarloosde kinderen, kinderen die dus ook hygiënische verzorging, behoorlijke kleding, vitaminen en buitenlucht missen kan een kuur van 3 of 6 maanden wel heilzaam zijn, maar probleem is dan : hoe kan je de bereikte resultaten stabiliseren ? Men verkiest voor deze kinderen dan ook opname in een kindertehuis of adoptie.

Willemijns geeft als voorbeeld van een kind dat op frappante wijze zal verbeteren tijdens zijn kuur "het kind uit een armoedig milieu, met slechte verzorging, ongelukkig tehuis met weinig licht of lucht en onvolwaardige voeding" (Willemijns, 1952, p.7). Verdere "dankbare" kinderen zijn die met onvoldoende lichaamsontwikkeling, rachitische kinderen (wanneer het werkelijk om rachitis gaat, want "ook van die naam wordt nogal eens misbruik gemaakt om een kind in een kolonie opgenomen te krijgen"), asthmatische kinderen, het al te nerveuse kind omwille van de gevolgen van zijn nervositeit : slecht eten, bleekheid, moeilijkheden met de ouders. Ook kinderen die verzwakt zijn door een zware of langdurige ziekte zijn speciaal aangewezen voor kolonies.

 

 

top

 

De derde periode van +- 1960 tot +- 1970 geeft een duidelijke vermindering te zien van de bezetting. Er ontstaan twijfels. Het criterium wordt niet aangepast maar men vermindert de capaciteit in functie van de rentabiliteit.

 

 

top

 

De achteruitgang van het aantal opgenomen kinderen in de kolonies in de zestiger jaren leidde tot een "alarmerende toestand" (NWK 1972, p.15). Het Hoog Medisch Comité onderzocht de toestand. Voor veruit de meeste kinderen werd "fysische zwakheid" (te kleine gestalte en/of te laag gewicht) als enige reden van uitzending genoemd. Niettemin bleken slechts weinig kinderen werkelijk aan dit begrip te beantwoorden. Criteria waren veeleer benarde sociaal-economische levensvoorwaarden : vader ongeschoold arbeider met groot gezin, ongehuwde moeder, alleenstaande moeder met vele kinderen. Hoewel hierover slechts "schaarse en gebrekkige inlichtingen" (NWK,1972,p.17) konden ingezameld worden, werd deze "sociale zwakte" ook bevestigd door gesprekken met de directies van de kolonies :

"Op hygiënisch vlak is men verbijsterd door het zeer groot aantal gevallen van pediculosis; bij de binnenkomenden wordt zelfs nog schurft aangetroffen. Op affectief plan wordt men getroffen door het feit dat zo vele kinderen als 'zenuwachtig' of 'agressief' bestempeld worden en door de vele gevallen van enuresis - komt voor op elke leeftijd en zowel bij meisjes als jongens - slechts weinigen zijn volledig zindelijk bij het verlaten van de kolonie." (NWK, 1972, p.18)

Over de psychologische zwakte van het gezin bracht de enquête niets aan het licht, omdat de aanvragen tot opname daarover niets vermeldden. Wel kon men de pedagogische achterstand nagaan : 65 % van de kinderen van 7 tot 13 jaar had minstens één jaar achterstand op school, en 39 % minstens twee jaar. De toestand is volgens het verslag in de kolonies zelfs ongunstiger dan "in landen met een zeer lage levensstandaard". Men concludeert dus in het algemeen dat de meeste kinderen niet fysisch maar wel sociaal zwak zijn. Men doet daarom een aantal aanbevelingen die we verder zullen bespreken.

"De kinderopvangcentra worden eerder met zwakke gezinnen dan met zwakke kinderen geconfronteerd. (...) Het NWK heeft het met deze problematiekverschuiving in de door haar beheerde, erkende of gesubsidieerde residentiële instellingen uitermate moeilijk. (...) Men slaagt er niet in echt een visie uit te bouwen over de toekomstige evolutie van deze sector in het geheel van residentiële opvang voor kinderen" (Vandenberghe, p.22)

Deze laatste periode, de jaren zeventig, zijn een heroriënteringsfase. De kolonies worden omgevormd tot kinderopvangcentra. De opnamecriteria passen zich nu aan aan de nieuwe problematiek.

 

 


© Erik Zwysen, 28 februari 2004
laatste aanpassing 14 april 2015