Start
Omhoog
Criteria
Instanties
Voorzieningen

 

PLAATSENDE INSTANTIES BIJ VRIJE OPNAMES

IN HET KADER VAN DE KINDER- en JEUGDBESCHERMING

 

 
  Inleiding      Voor 1912     1912     1965     1985 Terminologie

 


Op deze pagina gaan we na welke kinder- en jeugdbeschermingsinstanties tussenkomen bij de vrije plaatsing van kinderen in instellingen.

De term vrije plaatsing sluit aan bij vrijwillige plaatsing. In principe zijn alle vrijwillige plaatsingen via bijvoorbeeld een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een Comité voor Bijzondere Jeugdzorg ook vrije plaatsingen. De situatie waarbij de ouder (of vervangende ouder) zelf een beroep doet op de kinder- of jeugdrechtbank kan eveneens een vrijwillige plaatsing genoemd worden. Niettemin is het dan geen vrije plaatsing meer, aangezien de kinder- of jeugdrechter de plaatsing zal bekrachtigen via een vonnis. Dat betekent onder meer dat de ouder de plaatsing niet meer op eigen initiatief kan beëindigen. We hanteren de term dus in tegenstelling tot de term gevonnist (vergelijk definitie vrije plaatsing van federatie gezinsplaatsing (FGP, 1990). Toch blijft, zeker in het kader van de kinderbescherming, de term "vrije" plaatsing erg relatief. Van zodra men in dit kader van de kinderbescherming terecht kwam, was de link met de kinder- of jeugdrechter niet ver meer. Deze verbinding is slechts met de dekreten van 1985 doorbroken. Overigens is de hele kinderbescherming mede op het getouw gezet, onder meer om de soevereine macht van de ouders op hun kinderen in te perken.

 


Met de term 'kinder-' of 'jeugdbescherming' verwijzen we naar de wetgeving op de kinderbescherming (1912), de jeugdbescherming (1965) en de bijzondere jeugdbijstand (1985).

Met 'plaatsende instantie' bedoelen we die instantie die de titel verleent die iemand machtigt om de plaatsing uit te voeren, en daarmee de subsidiërende overheid volgens haar eigen reglementeringen verplicht tot het subsidiëren van de plaatsing.

 

Voor het ontstaan van de wet op de kinderbescherming kwamen vrije plaatsingen nog veel voor. Het normbesef van de ouders lag volgens Dekker nogal gelijklopend met dat der pedagogen. Ze wijzen ter motivatie van de opname in een instelling op dezelfde kindergebreken, zoals koppigheid, leugenachtigheid, onbetrouwbaarheid, opvliegendheid e.d.. Overigens zouden ouders, via het verkrijgen van een plaats in een heropvoedingstehuis voor hun zoon of dochter ook cultuur consumeren. Tegen het einde van de 19e eeuw zou dit zo duidelijk geëxpliciteerde normbesef minder scherp in de bronnen naar voren komen. De doelgroep zou toen qua gehalte "slechter" geworden zijn en de neiging om kinderen vrijwillig of onder zachte dwang te plaatsen liep terug (Dekker, 1987, p.75). Deze tendens zou nog versterkt worden door de invoering van de kinderwetten. "Morele overtuiging was het zwaarste wapen dat (de elite) tegenover tegenstribbelende ouders kon inzetten. Werd de cultuurconsumptie voortijdig afgebroken, dan ontstond er een conflict tussen de twee groepen. Tot 1905 werd dat conflict meestal gewonnen door de ouders, omdat er nog geen machtsmiddelen aan de kant van de instellingen bestonden." (Dekker, 1987, P.78-79). Dit was in België waarschijnlijk ook het geval.

 

 

 

 

Voor 1965 is er in feite geen specifieke jeugdbeschermingsinstantie die tussenkomt in de vrije plaatsing. Kinderen van ontzette ouders krijgen echter een provoogd toegewezen. De familieraad duidt als vervangende ouder de moeder, een betrouwbaar persoon of een liefdadigheid- of onderwijsinstelling aan. Deze instellingen of maatschappijen moeten dan onder hun leden één persoon kiezen die het kind in de toekomst zal vertegenwoordigen. De vervangende ouder krijgt dan het droit de garde, d.w.z. : hij of zij bepalen waar het kind zal opgevoed worden.

Eén van de moeilijkheden van de wet van 1912 was de beperkte variatie in de maatregelen t.a.v. de ouders : de procureur kon ofwel niet tussenkomen ofwel ontzetten uit de ouderlijke macht. Ook t.a.v. de minderjarigen was een soort "alles-of-niets regel ingebouwd, die (...) het preventieve optreden sterk bemoeilijkte" (Walgrave, 1978, p.64). Het parket zal daarom ook meer en meer op eigen houtje interveniëren, waarbij de wet "eigenlijk niet werd gerespecteerd" (Walgrave, 1978, p.64). Onder deze vorm van bijstand buiten de gerechtelijke sfeer horen in principe eveneens vrije plaatsingen.

Vanaf 1949 kunnen ook de procureurs, betrokken bij de ontzettingen uit de ouderlijke macht, op hulp van afgevaardigden rekenen (zie hfst.3). Onder zijn leiding worden deze belast met "opdrachten (...) van voorlichting, uitbesteding van en toezicht over de kinderen". Hun verdere taakomschrijving is dezelfde als die van de afgevaardigden bij de kinderrechter. Ze bezoeken de ouders, de verenigingen of de instellingen die voor de kinderen moeten zorgen. Ze zullen "de omgeving waarin de minderjarige verkeert, zijne neigingen, zijn levensgedrag nagaan". Minstens eens per maand brengen ze verslag uit over de "zedelijken en stoffelijken toestand" van de minderjarige en stellen alle maatregelen voor die ze denken voordelig te zijn voor hem (art.26). Vanaf 1949 moeten de vaste afgevaardigden ook houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of van een diploma "ten bewijze van opvoedkundige en maatschappelijke kennis" Toch voorziet men dat daarvan kan afgeweken worden. Ook de vrijwillige afgevaardigden blijven in deze wetgeving behouden.

 

 

 

De wet van 1965 richt in elk gerechtelijk arrondissement een jeugdbeschermingscomité op. Dit neemt de reeds door de procureurs gestarte sociale bescherming op. Het kan slechts een preventieve sociale actie voeren "voor zover zijn hulp is gevraagd of aanvaard door de personen die over de minderjarige de ouderlijke macht uitoefenen of hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben" (art.2). Deze preventieve actie wordt niet nader gespecifieerd, maar het is duidelijk dat daaronder ook plaatsingen vallen. In elk arrondissement wordt een sociale dienst opgericht, samengesteld uit vaste afgevaardigden, waarvan één afdeling ter beschikking staat van de JBC, en één ter beschikking van de JRB (art.64). Het JBC laat "regelmatig ieder door zijn bemiddeling geplaatste minderjarige door een van zijn afgevaardigden bezoeken" (art.74). De plaatsende instantie, zoals we ze definieerden, is vanaf dan het Comité.

Naargelang de grootte van het arrondissement bestaat zo'n comité uit twaalf tot vierentwintig leden. De Minister van Justitie benoemt ze voor drie jaar en kiest ze uit vertegenwoordigers van diensten, instellingen of organisaties die zich actief met de jeugd, de jeugdbescherming en het gezin bezighouden. 1/3 van de leden wordt benoemd op voordracht van de Minister van Nationale Opvoeding; 1/3 op voordracht van de Minister van Volksgezondheid en het Gezin. De vaste afgevaardigden moeten nu gediplomeerden zijn : houder van een diploma van maatschappelijk assistent of van een diploma dat van een voldoende pedagogische of sociale kennis doet blijken. Ook nu nog kunnen vrijwillige afgevaardigden worden toegevoegd, maar de wet zegt er niet meer over. Uitzonderingen op het diploma worden niet meer voorzien, en dat bevestigt de tendens naar professionalisering van het maatschappelijk werk. Hoewel de wet weinig zegt over de taak van de vrijwillige en vaste afgevaardigden (tenzij de regelmatige bezoeken), bestaan daarover natuurlijk wel uitgebreide administratieve toelichtingen (Min.v.Just. Handleiding).

 

 

 

Wat het optreden van de jeugdbescherming t.a.v. vrije plaatsingen betreft, wijzigt het decreet van 1985 m.i. niets. Het JBC wordt nu wel Comité voor Bijzondere Jeugdzorg. Het decreet zelf zegt veel meer dan de wet van 1965 over de taak van de sociale dienst. Maar de taak komt op hetzelfde neer als wat vroeger reeds in de Handleiding was voorzien. M.a.w. de procedure blijft dezelfde, maar door het niet langer aanvaarden van gerechtelijke opdrachten, kunnen nu àlle plaatsingen onder toezicht van het comité vrije plaatsingen genoemd worden.

De samenstelling van de Comités is ook ruimer dan vroeger : personen uit de jeugd- en volwassenvorming, uit de dienst- of hulpverlening aan jeugd en gezin, uit arbeids- of onderwijsmiddens en uit de gezondheidszorg maken er telkens voor 1/4 deel van uit.

 

 


© Erik Zwysen, 28 februari 2004
laatste aanpassing 14 april 2015