Start
J.A.Zwijsen
Jeugd- en Kinderzorg
Pleegzorg
Muzikaal verleden
Stamboom

 

Geschiedenis

van de bijzondere jeugd- en kinderzorg

in Vlaanderen

 

 
 

 

 

index sitemap advanced

site search by freefind
 
Drie tradities

Drie tradities

De wortels

Een dubbele aanpak

 

De oudste traditie in de kinderzorg is ongetwijfeld de bijstand aan kinderen met ontoereikende middelen van bestaan : behoeftige wezen en vondelingen, maar ook verlaten kinderen. Voor hen sprong de armenzorg in, sinds 1925 de Openbare Onderstand (COO), sinds 1976 het Openbaar Maatschappelijk Welzijn (OCMW).

 


In de 19e eeuw schonk men ook aandacht aan kinderen die naar de maatstaven van toen met  ontoereikende psychologische, pedagogische en morele steun moesten overleven. Het ging om straatkinderen, jonge delinquenten, maar ook om verwaarloosde en mishandelde kinderen. Hier vooral werd met een beschuldigende vinger naar de ouders gewezen. Dit werd de zorg van de kinderbescherming (KB) daterend van 1912, in 1965 omgedoopt tot jeugdbescherming en vanaf 1985 de bijzondere jeugdbijstand (BJB).

Tezelfdertijd organiseerde men bijstand aan kinderen uit gezinnen met ontoereikende familiale, maatschappelijke of sociale steun. Hun ouders hadden het wel goed met hen voor, maar om redenen van sociaal en familiaal isolement, ziekte, onregelmatige arbeid, enz.. lukte het hen niet om een sociaal aanvaardbaar gezinsleven uit te bouwen. Dit werd voornamelijk de zorg van het kinderwelzijn, sinds 1919 behartigd door het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK), en sinds 1984 door Kind en Gezin (K&G).

 

Met 'kinder-' of 'jeugdbescherming' bedoelen we op deze site de kinderbescherming (1912), de jeugdbescherming (1965) en de bijzondere jeugdbijstand (1985). De term 'kinderwelzijn' verwijst naar het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (1919) en Kind en Gezin (1984). Naargelang de context duiden de termen soms ook op het bredere veld van ideeën en activiteiten waaruit de genoemde kaders ontspruiten ; of juist beperkend op slechts die historische vormgeving waaraan ik de termen ontleende.

   
De wortels

Het ontstaan van de kinderbescherming en het kinderwelziijn situeert zich in de tweede helft van de 19e eeuw. Deze tijd wordt o.m. gekenmerkt door de bezorgdheid van de burgerij voor het behoud van de sociale orde. De revoluties van 1848 en, in eigen land, de woelingen van 1886 veroorzaakten schokken waarop dringend gereageerd moest worden.

Naast de van oudsher bekende armoede, ontstonden nieuwe vormen van verpaupering en uitbuiting. Rond 1850 trok één vierde tot één derde, hier en daar zelfs de helft van de stedelijke bevolking steun. Kinderen van zeven, zes en zelfs vijf jaar trof men in alle industrieën aan. De jonge arbeidertjes leden vaak aan onvoldoende groei, slechte spijsvertering enz. (Van Isacker, I, p.78). Het is duidelijk dat de werkvoorwaarden, de veiligheid en hygiëne en de lonen in de industrieën veel ellende veroorzaakten. Gekoppeld aan de slechte huisvesting leidde dit tot promiscuïteit, drankzucht e.d. bij de lagere volksklasse. Daaruit trok de burger de conclusie dat de oorzaken van de ellende te zoeken waren in de immoraliteit van de werkman. Voor de hand liggende antwoorden waren dan : heropvoeding, volksverheffing, onderwijs, aanleren van burgerlijke deugden zoals spaarzaamheid e.d.

Ook de volksgezondheid leed onder de schadelijke industrieën en de slechte hygiëne in de steden. De verschillende overheden namen maatregelen maar toch drongen diverse instanties zoals de Hogere Gezondheidsraad en de Academie van geneeskunde regelmatig aan op meer en strengere tussenkomsten van de staat. "Om de volksgezondheid in de hand te werken, moet men niet vreezen toevlucht te nemen tot de wet en de weerspannigen te straffen" (Berryer, p.367).

In de ogen van de burgerij nam ook de delinquentie grotere vormen aan. De strafwetten bestonden al, men wilde dus eerder preventief optreden en vooral de kinderen beschermen. Zij waren slachtoffer van verwaarlozing door of immoraliteit van de ouders. Vandaar o.m. dat ze ronddoolden op straat, mensen lastig vielen, schooiden en bedelden. Heropgevoede kinderen zouden minder kans maken later in de delinquentie terecht te komen.

 

 
Een dubbele aanpak

De sociale problemen van armoede, hygiëne en misdadigheid brachten zowel het individu als de samenleving in het gedrang. Men kwam tot een enigszins paradoxale aanpak.

(a) De burger zag de samenleving bedreigd en daarin ook zijn positie waaraan hij een gevoel van persoonlijke waardigheid ontleende. Om deze samenleving te redden zal hij zich daarom toespitsen op het verheffen van de waardigheid van het individu.

(b) De proletariër werd daarentegen rechtstreeks als individu bedreigd. Hij ervaarde dagelijks dat hij niet als een gelijkwaardige medeburger beschouwd werd. Om uiteindelijk zichzelf te redden zal hij zich toespitsen op het stimuleren van de gelijkwaardigheid van individuen. Hiermee richtte hij zich op een structurele aanpak van de problemen.

Beide tendensen zullen elkaar vinden in de verzorgingsstaat. Ze staan wederkerig tot elkaar als middel en doel : de samenleving wordt gered door het verheffen van het individu en omgekeerd.

Zowel de jeugdbescherming als het kinderwelzijn ontstonden uit de eerste tendens. Het waren burgerlijke initiatieven, voornamelijk uitgevoerd en geleid door dames. Ze ontwikkelden zich aanvankelijk beide onder de noemer "kinderbescherming". De groei van allerlei initiatieven in de tweede helft van de 19e eeuw lijkt wel op het alle hens aan dek bij een uitslaande brand. Zodra het vuur wat onder controle was kon men gaan denken aan het verdelen van de taken. Twee van de oudste beroepen ter wereld speelden daarbij een grote rol. De rechter en de dokter werden de sleutelfiguren in respectievelijk de jeugdbescherming en het kinderwelzijn. Samen met de vrouwen zullen ze zich wijden aan "cette oeuvre d'alchimie morale qui consiste, avec de la misère, de l'ignorance et du vice, à créer de la santé, de la vertu en du bonheur." (Carton de Wiart, 1913, p. 409)

Het ging om een beweging die internationaal aan de gang was : "Partout, (...), s'organisent des juridictions nouvelles, (...), complétées par le patronage de la liberté surveillée. Partout, pour protéger les enfants en instruisant ou en secondant les mères, surgissent des oeuvres de vulgarisation, de consultation, de mutualité." (Carton de Wiart, 1913, p.407) 

M.a.w. de opdrachten waren heropvoeden en patroneren enerzijds, opvoeden en instrueren anderzijds. Deze heropbeuring ("relèvement") van de kinderen gebeurde in hun belang, maar men verborg niet dat deze "soin moral et matériel de l'enfance" de meest solide basis was voor "une bonne construction sociale". Soms was men nog explicieter : "Quand nous recueillons un petit être jeté dans la tumultueuse mêlée des bas-fonds sociaux, victime de parents indignes ou de tares profondes, ce n'est pas lui que nous protégeons, ce sont les honnêtes gens que nous défendons; quand nous tentons d'éveiller ou de réveiller à la santé physique et morale des êtres chétifs et faibles menacés par la contamination du crime, c'est la société elle-même que nous défendons contre des atteintes dont l'abandon de l'enfant constitue pour elle le présage et la menace." (Carton de Wiart, 1913, p.408)

De sociale rol van de rechter stond dus in functie van "l'existence même de notre société (p.414). De sociale rol van de artsen maakte van hen "les gardiens de la race" (p.417).

 

 
 

 

Een aantal van deze teksten is een verwerking van het materiaal dat uitgebreider en met bronverwijzing beschreven staat in mijn eindverhandeling 1989-1990 : Erik Zwysen, Jeugdbescherming en Kinderwelzijn in of uit de schemerzone ?, Universitaire Instelling Antwerpen, departement Politieke en Sociale Wetenschappen (nu Universiteit Antwerpen).  

 

 


© Erik Zwysen, 7 november 2003
laatste aanpassing 03 april 2015