J.A. ZWIJSEN

1899 - 1971

toondichter - pianist - dirigent

 

 
Componist • Liederen • In memoriam


lees ook zijn biografie bij het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek

Opleiding
Componist en arrangeur
Cinematheater
Muzikant en dirigent
Toonkunstenaarsvereniging
Filmcomponist
Revue, operette en theater
Muziekleraar
Opera en ballet
Philharmonie

Johan Zwijsen werkte als componist, arrangeur, pianist en dirigent voornamelijk in de Antwerpse muziekwereld van de vorige eeuw. Zijn werk omspant de ontwikkelingen van de stomme film tot de eerste Vlaamse geluidsfilms; het Antwerpse uitgangs- en revueleven ; de operette, het ballet en de opera ; het theater ; het symfonisch orkest.
Johan Zwijsen  werd geboren in Antwerpen op 15 maart 1899 om halfdrie in de namiddag als Johannes Adrianus Maria Zwysen. We schrijven Zwijsen - met puntjes op de ij - zoals J.A. meestal wel zelf zijn naam schreef, maar we treffen de naam ook regelmatig aan als J.A. Zwysen. Vaak werd hij Toon, Toine of Antoine genoemd, naar zijn vader, of ook wel Johan Antoon Zwijsen. De naam komt ook voor als Jan Zwijsen.
J.A. Zwijsen was het derde van de vijf overlevende kinderen van Antonius (Antoon) Zwijsen, schilder, afkomstig van 's Hertogenbosch, en van Maria Elisabeth Van der Seelen, afkomstig van Turnhout. Het gezin woonde destijds in de Gasstraat 10 in Antwerpen, in de Stuyvenbergbuurt, maar verhuisde regelmatig binnen het Antwerpse. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog vluchtte de familie naar Nederland, maar enkele maanden later was Zwijsen al weer in Antwerpen waar hij les ging volgen aan het Conservatorium.
Na de Eerste Wereldoorlog verhuisde de familie naar Oude-God in Mortsel en opende er een beeldenwinkel, de “Sint-Antonius”. Toen zijn vader ernstig ziek werd en tenslotte in 1923 overleed, was Johan Zwijsen er een tijdlang kostwinnaar. Hij trachtte bij te verdienen met componeren en zijn eerste composities werden in deze periode uitgegeven. Hij huwde in hetzelfde jaar met Elisabeth Habran, de moeder van zijn eerste zoon en dochter van een Waalse douanebeambte die in Antwerpen werkte. Het gezin verhuisde terug naar Antwerpen waar nog een tweede zoon werd geboren. Zwijsen werkte toen als pinaist-begeleider en orkestleider in de Antwerpse cinematheaters. Toen deze overschakelden van de stomme film naar de geluidsfilm, opende Zwijsen een muziekhandel in de Lange Beeldekensstraat in Antwerpen. Daar gaf hij in eigen beheer een aantal composities uit. Hij werkte een tijdlang als componist en pianist in het orkest Felleman. Enkele jaren later werd hij aangeworven in het orkest van de Hippodroom.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij als repetent in de Koninklijke Vlaamse Opera. Ondertussen werkte hij ook als filmcomponist. Toen de prille Vlaamse filmindustrie stilviel kon hij terecht in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, waar hij onder meer componeerde en dirigeerde voor de jaarlijkse komediantenrevues. Zwijsen kon, behalve in het begin van de jaren 1950, toen hij een jaar lang als magazijnbediende moest werken, met de muziek zijn kost verdienen. Voor hij bij de Philharmonie van Antwerpen terecht kwam had hij verschillende pogingen gedaan om kunstverenigingen en een symfonisch orkest van de grond te krijgen.
Zwijsen woonde zijn hele leven lang in (groot-) Antwerpen, maar overleed op 13 augustus 1971 tijdens een familiebezoek in Ethe in de provincie Luxemburg op 72 jarige leeftijd. Tot aan zijn overlijden was hij actief als componist en muzikant.

 

Oproep : Wie kan ons helpen bij het terugvinden van verloren partituren van de toondichter J.A. Zwijsen ?

Na jarenlang onderzoek konden we slechts 100 partituren lokaliseren van de meer dan 600 composities die van hem bekend zijn.

Mocht u ons daarbij kunnen helpen dan kan u ons contacteren via het emailadres onderaan de startpagina. Dank.

 

 

Opleiding


Zwijsen leerde schilderen en musiceren met de hulp van zijn vader, die koorzanger was. Als twaalfjarige dirigeerde hij het zangerskoor van zijn parochiekerk Heilig Hart in de Lange Beeldekensstraat. Over zijn muzikale opleiding is maar weinig bekend, onder meer door de oorlogsjaren. Wellicht leerde hij veel in de praktijk toen hij als knaap reeds aangeworven werd als begeleider-pianist voor de stomme film. In alle geval kreeg hij les van Jan Broeckx, die ooit over de "bijzondere muzikale kwaliteiten" van Zwijsen getuigde "die eens (hoe lang reeds geleden!) ver uitblonk onder mijn leerlingen". Als pianoleraars worden Van Brabant, Papen, Leo Van den Broeck en De Vos genoemd. Ook studeerde hij tussen 1915 en 1921 aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen notenleer bij Hendrik Van Schoor en Albert De Schacht en harmonie bij Edward Verheyden. Zwijsen bleef niettemin grotendeels autodidact, maar behaalde in het oorlogsjaar 1918 wel een eerste prijs notenleer bij Albert De Schacht.

 

 
 

 

Componist en arrangeur


Zwijsen componeerde muziek op verschillende terreinen : schlagers, gelegenheidsmuziek, film-, revue- en theatermuziek, marsmuziek, volksmuziek. Daarnaast componeerde hij meer dan honderd liederen, kamermuziek, een pianoconcerto, cantates, missen, symfonische muziek, tientallen kinderliederen en vier kinderoperetten. Een van zijn bekendste schlagers werd ’t Schooiertje uit 1938, gezongen door Willy Derby op tekst van Ferry. Andere composities die in de jaren 1930 en 1940 regelmatig op de radio te beluisteren waren zijn ondermeer Garden of Lilies, Improvisation, Woudbloemen.
Naast zijn werk als componist, pianist en dirigent, was Zwijsen vooral bekend als "arrangeur". Hij werkte regelmatig in opdracht van het toenmalige N.I.R., en orkestreerde onder meer de “Brabançonne” waarmee men ’s avonds de uitzendingen afsloot. De laatste jaren maakte hij nog talloze muzikale bewerkingen voor de Vlaamse Volksdanscentrale.


 
 

 

Cinematheater


Als tiener begeleidde Zwijsen stomme films in het Winterpaleis op de Paardemarkt. Hij speelde ook piano in verschillende andere cinematheaters, waaronder de populaire “Prins Albert” in de Diepestraat. Met Hendrik Crabeels en Paul Douliéz trad hij in een soort beurtrol op in cinema's zoals de "Rex" en de "Tokyo".
Zwijsen werkte in de jaren 1920 ook acht jaar lang voor de N.V. Gerex als orkestleider in de cinema’s Coliseum aan de Meir en in de Majestic in de Carnotstraat.
Tijdens de wereldtentoonstelling in Brussel (1958) werd hij gevraagd om op piano de vertoningen te begeleiden van stomme films in het Amerikaans Theater. In diezelfde functie werd hij daarna nog regelmatig gevraagd om op te treden in het Paleis voor Schone Kunsten.

 

 
 

 

Muzikant en dirigent


Na de Eerste Wereldoorlog speelde Zwijsen in het orkest in het Leopoldpaleis onder leiding van Flor Bosmans. In 1920 voer hij mee als muzikant met de Finland (Red Star Line) van Antwerpen naar New York.
In het begin van de jaren dertig speelde Zwijsen als pianist, arrangeur en componist in het orkest van André Felleman in het Grand Hotel aan de De Keyserlei.
Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van de “Artistenpenning”, verzorgde Zwijsen de artistenmis op Pinksterzondag 16 mei 1948 met de medewerking van de kunstkring “Jong Leven”. De koorgroep met bariton Hendrik Zwijsen en de sopraan H. Mertens, en het snaarkwintet brachten enkele composities van hem. Overigens werkte hij meermaals mee met de artistenmissen. Als pianist speelde hij ook regelmatig mee met het orkest in het Sportpaleis, onder andere tijdens de Zesdaagsen, onder leiding van Michel Frederix. Hij werd regelmatig geëngageerd als pianist-begeleider voor diverse radio-uitzendingen, vaak ook op de gewestelijke zender Antwerpen.
Begin jaren 1950 speelde hij afwisselend met Bert Peeters piano op zaterdagavond in café-cabaret  "Den Uilenspiegel" op het Koningin Astridplein, waar Jaak de Voght optrad als cabaretier.
Zwijsen dirigeerde in de jaren 1940 verschillende concerten met eigen werk. In 1957 dirigeerde hij in openlucht in Schoten met grote bezetting zijn cantate De Lente is in 't Land. Ook met het operettengezelschap de Gildebarden voerde hij regelmatig eigen werk uit.
Zwijsen werd dikwijls gevraagd om gelegenheidsorkesten samen te stellen voor allerlei andere evenementen, gaande van de opening van het carnaval, het bal van de burgemeester, diverse operettes, tot herdenkingen van oudstrijders.
Na de oorlog zette hij verschillende kunstverenigingen op touw, zoals 'Eigen Kunst' en 'Levet Scone'. Het werden geen onverdeelde successen, evenmin als zijn poging om een Antwerps symfonisch orkest op te richten begin jaren 1950.
In 1964 ging Zwijsen als pianist mee op concerttournee met de zwarte Amerikaanse gospel-groep The California Jubilee Singers.
Na zijn pensionering in 1966 bleef Zwijsen op diverse plaatsen als pianist optreden, vaak ook in een trio met de cellist Horemans en violist Siemens.

 

 
 

 

Toonkunstenaarsvereniging


Zwijsen was lid van de Antwerpse Toonkunstenaarsvereniging en werd daar in november 1926 als lid van het bestuur verkozen.
In de KVO dirigeerde hij in 1930 een huldeconcert ter ere van de voorzitter van de Toonkunstenaarsvereniging Flor Bosmans, waar zijn compositie Doorheen de werken van Flor Bosmans werd uitgevoerd.

 

 
 

 

Filmcomponist


In 1934 componeerde Zwijsen de muziek voor de filmklucht De verloofde uit Canada van François Frijters, een stille film waarvan de muziek nooit werd opgenomen. -
In 1939 tekende Zwijsen zijn eerste contract met Jan Vanderheyden, voor het maken van de muziek voor de film Janssens tegen Peeters. Daarna volgden nog een aantal Vlaamse films van (vooral) Jan Vanderheyden voor en tijdens de oorlog. Die brak uit bij de première van Wit is Troef.
Na de oorlog componeerde Zwijsen de muziek voor de film Baas Gansendonck (1945) van Gaston Ariën en voor enkele documentaire films van Gerard de Boe.

 

 
 

 

Revue, operette en theater


Vanaf de jaren dertig componeerde Zwijsen voor 32 revues van Rik Senten in de Hippodroom, destijds gelegen tegenover het Museum voor Schone Kunsten. Vanaf 1935 dirigeerde hij er ook het orkest, tot de opvoeringen eind 1944 werden stilgelegd vanwege het bombardement op Antwerpen.
Zwijsen werd muzikaal adviseur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS), voornamelijk voor het lichtere genre. Hij componeerde er onder meer voor het Jeugdtheater en voor de opvoeringen zoals Elk wat Wils in 1949, Trijntje Cornelis in 1950 en Het Strooien Hoedje van de Franse schrijver Eugène Labiche, in 1955 gespeeld met muziek van Zwijsen. Hij schreef en dirigeerde van 1945 tot 1953 voor de KNS de muziek voor de komediantenrevues die begin juni het seizoen aan de Komedieplaats afsloten. Onder regie van Edward Deleu nam het hele KNS gezelschap hieraan deel met acteurs als Jos Gevers, Dora Van der Groen en Julien Schoenaerts.
In 1950 dirigeerde Zwijsen het operettentheater Rubens in het Rubenspaleis, later het operettentheater Lehar in zaal Concordia. Hoofdrolspelers waren daar Maria Van der Meirsch en de tenor Dago Meybert.
In de jaren 1960 werd Zwijsen dirigent van het operettegezelschap De Gildebarden. Met deze groep bracht hij behalve eigen composities zoals zijn kinderoperettes ook talrijke populaire operettes. Bij het honderdjarig bestaan van deze vereniging in 1965 dirigeerde hij muziek van Peter Benoit voor de Gildebarden geschreven, alsook zijn eigen cantate Sinjorentrots.

 

 
 

 

Muziekleraar


Zwijsen was muziekleraar, onder meer in de broederschool Sint Henricus aan de Oude Steenweg. De Broeders gaven enkele bundeltjes van Zwijsens Kinderliederen voor school en haard uit. Daar componeerde hij ook enkele kinderoperettes op tekst van Geert Verhavert. Ze werden er tussen 1933 en 1940 uitgevoerd in regie van Lode Geysen, onderwijzer in hetzelfde instituut, regisseur van de Sint Augustinuskring en bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS). Ter gelegenheid van de 350-ste verjaring van de geboorte van Vondel, speelde de school onder leiding van Geysen in 1937 ook een openluchtvoorstelling van Lucifer, waarvoor Zwijsen componeerde en die de muziekleraar ook dirigeerde. Het was de laatste toneelprestatie van de regisseur die een maand later overleed.

 

 
 

 

Opera en ballet


In september 1941 werd J.A. Zwijsen aangeworven als 'pianist-repetitor' in de Koninklijke Vlaamse Opera (K.V.O.), toen onder directie van Jos Sterkens en vanaf september 1942 onder het bestuur van Hendrik Diels. Hij was er werkzaam tot aan de bevrijding in september 1944. Als repetitor stond hij onder meer in voor de voorbereiding van de koren, zoals bijvoorbeeld de koorleiding ter gelegenheid van de uitvoering van 'Het Land van de Glimlach' van Lehar in oktober 1941. Andere componisten die in diezelfde periode in de K.V.O. werkten waren Jef Maes, eveneens als repetitor, Renaat Veremans en Rudolf Perak als dirigenten. Die laatste twee componisten waren net als J.A. Zwijsen betrokken bij het componeren van de muziek van de eerste Vlaamse films van Jan Vanderheyden.
Enkele balletten van Zwijsen en zijn bewerkingen van balletten van Strauss werden uitgevoerd in de K.V.O.. Bij de opvoering van zijn ballet Feestdag op het Land in juni 1943 dirigeerde hijzelf het orkest van de Opera. Choreograaf was toen Ernest Piraux. Ook zijn bewerking van “Haute Couture” van Strauss zag er het daglicht.
Wellicht zijn meest opgevoerde ballet is De drie kistjes, oorspronkelijk onderdeel van de Komediantenrevue 1948. Eerder had Zwijsen al samengewerkt met het ballet van de Hippodroom onder leiding van Henriette Janssens. In de komediantenrevues stonden de balletten onder leiding van Lea Daan en de gezusters Brabants.
José Nicola was danseres in de K.V.O. en begon later haar eigen dansschool. Met haar werkte Zwijsen samen bij voorstellingen van de dansschool en later, toen hij muziekdirecteur was van het operettentheater Rubens-Lehar en in de zestiger jaren in het operettengezelschap De Gildebarden.
Zwijsen maakte ook deel uit van het orkest dat na de oorlog Franse operavoorstellingen uitvoerde in de Hippodroom.  Op vraag van directeur Antoine Bergmans dirigeerde Zwijsen na ziekte van de dirigent Gaillard in deze reeks ook zelf enkele opera's.

 

 
 

Philharmonie


Vanaf de beginjaren werkte Zwijsen mee aan de uitbouw van de Philharmonie van Antwerpen. Aanvankelijk als onbezoldigd orkestregisseur, maar in 1957 werd hij er aangeworven als “beheerder-regisseur”. Hij werkte er tot 1966 als regisseur, als boekhouder, als de pianist die de auditionerenden begeleidde, maar ook als spelend lid. In het orkest speelde hij piano, celesta, de carillon, in het algemeen elk tokkelinstrument.
In 1961, ter gelegenheid van haar vijfjarig bestaan, creëerde de Philharmonie in de Koningin Elisabethzaal zijn Preludio Dramatico onder leiding van de dirigent Rafaël Frühbeck de Burgos. Enkele jaren later bij de viering van het tienjarig bestaan in 1966, voerde de Philharmonie het Preludio Festivo uit, ditmaal onder leiding van Eduard Flipse.

 

 
 

Opmerkingen en aanvullingen worden in dankbaarheid aanvaard via contactadres onderaan de startpagina

 © Erik Zwysen, 1 februari 2003
laatste aanpassing 11 september 2017